Veelgestelde vragen

Om inwoners en volksvertegenwoordiging te betrekken bij de Regionale Energiestrategie van Metropoolregio Eindhoven, organiseren we regelmatig webinars. Vragen die tijdens deze bijeenkomsten gesteld worden, maar ook vragen die we via het contactformulier ontvangen, worden door ons beantwoord. De veel gestelde vragen beantwoorden we in onderstaande documenten. De vragen en antwoorden zijn terug te vinden per thema. 

Factsheets

In de antwoorden op de veelgestelde vragen, wordt regelmatig verwezen naar de factsheets van een energiebron. In een factsheet vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Per energiebron zijn links opgenomen naar rapporten en websites met meer informatie.

In het achtergrond document voor de RES 1.0 vindt u een gedetailleerde uitleg over waar die getallen vandaan komen. Het wordt straks inzichtelijk per gemeente hoeveel TWh er in de pijplijn zit. De vraag is wel of we dit echt op projectniveau kunnen doen. We zijn het in ieder geval zo veel als mogelijk in kaart aan het brengen en dit zullen we publiceren.  

In de periode tussen concept RES en nu is er nauwkeurig gekeken naar de projecten die in de pijplijn zitten en de realisatie. De aannames die we eerder deden waren wat aan de lage kant, vandaar dat dit getal inmiddels is opgeschroefd. Daarnaast is de afgelopen tijd het aantal aanvragen van de SDE subsidie flink gestegen, dit is ook meegenomen in de getallen. Hierdoor is het aandeel resterend binnen de zoekgebieden verlaagd.

Er vindt landelijk veel afstemming plaats, tussen de regio's en met de ministeries. De coördinatie hiervoor ligt bij het 'Nationaal Programma RES', getrokken door de drie koepels (VNG, IPO, en Unie van Waterschappen) en de ministeries van EZK en BZK. 

Dit is een complexe afweging die per gebied anders zal uitpakken. De eerste stap is dat alle gemeenten in beeld brengen wat per gebied/wijk de meest passende (warmte)oplossing is, waarbij uiteraard ook wordt gekeken naar de kosten. Dit wordt door elke gemeente uitgewerkt in de lokale transitievisies warmte en buurtplannen. U houdt echter vooralsnog keuzevrijheid om al dan niet aan te sluiten op bijvoorbeeld een warmtenet.

Als inwoners alternatieve oplossingen inbrengen nemen we contact met hen op. In de RES hebben we de opdracht om in de basis met bewezen technieken (dus zon en wind-energie) te werken, omdat de afgesproken opgave vóór 2030 gerealiseerd moet zijn. Nieuwe technieken zijn wel relevant voor de periode daarna. De RES wordt elke twee jaar herzien, waarbij bekeken wordt welke technologieën we dan kunnen meenemen. We werken nauw samen met Brainport Development hierin.

Er is zeker afstemming over de regio’s heen, met name met de andere drie Brabantse regio’s en de RES-regio Noord- en Midden-Limburg. Daarnaast is er periodiek landelijke afstemming. Ook zijn er veel contacten met het Nationaal Programma RES.

De RES zelf is een politiek-bestuurlijk document en niet als zodanig bindend voor derden. De RES wordt vervolgens verwerkt in gemeentelijk beleid en verankerd in een structuur- of omgevingsvisie. Daarna wordt het geoperationaliseerd in verordeningen, bestemmings- of omgevingsplannen en toegepast bij het verlenen van vergunningen. Zo wordt stapsgewijs de juridische status verankerd bij operationalisering via de instrumenten van de WRO/Omgevingswet.

Hier wordt zeker veel waarde aan gehecht. De vraag ‘wat past er in ons landschap’ staat centraal in de afwegingen. Zie verder het antwoord bij de vraag ‘Hoe is de regio tot een bod van 2 TWh gekomen’.

In de periode tot 1 juli 2021 krijgen gemeenteraden de gelegenheid om hun reactie op de concept RES 1.0 te geven. Dit valt samen met de inspraakprocedure voor inwoners op de planMER. De inspraakprocedure start in mei en duurt zes weken. In het vervolgtraject kunnen we met alle input van de raden en stakeholders en vanuit de PlanMER-procedure komen tot een verdere selectie in de zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwekking van energie. We stellen zorgvuldigheid voorop. Met de keuze voor deze procedure volgen wij een eigen zorgvuldig proces naar de RES 1.0, dat weliswaar wat langer duurt, maar wel completer is en de kans geeft om met elkaar goed over de inhoud in gesprek te gaan.

Het volgen van een zorgvuldig proces staat voorop om te komen tot keuzes over de opwek van duurzame elektriciteit, met daarbij aandacht voor de ruimtelijke opgaven en inpasbaarheid. In de periode tot 1 juli 2021 krijgen gemeenteraden de gelegenheid om hun reactie op de concept RES 1.0 te geven. Dit valt samen met de inspraakprocedure voor inwoners op de planMER. De inspraakprocedure start in mei en duurt zes weken. In het vervolgtraject kunnen we met alle input van de raden en stakeholders en vanuit de PlanMER-procedure komen tot een verdere selectie in de zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwekking van energie. We stellen zorgvuldigheid voorop. Met de keuze voor deze procedure volgen wij een eigen zorgvuldig proces naar de RES 1.0, dat weliswaar wat langer duurt, maar wel completer is en de kans geeft om met elkaar goed over de inhoud in gesprek te gaan. Met afronding van de planMER procedure en met alle beschikbare informatie en input kan de RES 1.0 worden voltooid. De RES 1.0 kan naar verwachting in november 2021 ter besluitvorming aan de volksvertegenwoordigers worden voorgelegd.

Met de gemeenten en externe stakeholders hebben we stap voor stap de volgende vragen doorlopen:

  1. Wat past binnen ons landschap?
  2. Waar zijn kansen voor koppeling met andere opgaven?
  3. Wat is er mogelijk binnen wetgeving?
  4. Wat is de impact op het elektriciteitsnetwerk? Waarbij we een onderscheid kunnen maken tussen de mogelijkheden in aansluiting vóór en na 2030.

Op basis van deze analyses zijn kaarten gemaakt waarin de volgende belangrijke opties voor grootschalige duurzame opwek naar voren komen:

  • Zoekgebieden waar no regret-initiatieven kunnen worden opgepakt: maatregelen die je altijd zou moeten nemen (zoals zon op grootschalige daken)
  • Zoekgebieden waar een significante bijdrage kan worden geleverd met duurzame energie initiatieven (zonnevelden en windmolens)
  • Zoekgebieden waar duurzame initiatieven kunnen worden opgepakt ten dienste van een andere ontwikkeling, zoals natuurontwikkeling

Op basis van de kaarten komen we tot een bod van 2 TWh. Dit kan als volgt onderbouwd worden:

  • We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen 0,2 TWh gerealiseerd kan worden.
  • We hebben circa 0,7 TWh aan projecten ‘in de pijplijn’ zitten.
  • De maximale potentie van de regio op basis van de zoekgebieden is tussen circa 4,4 en 5,4 TWh.
  • We willen als Brainport regio onze innovatiekracht inzetten.

Op basis van bovenstaande overwegingen is bestuurlijk de keuze gemaakt om in te zetten op een bod van 2 TWh.

Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. Op basis daarvan is bekeken wat er in de benoemde zoekgebieden aan energie-opwekking zou kunnen worden ingepast onder voorwaarden van behoud van ruimtelijke kwaliteit en koppeling met andere opgaven. Die inschatting is ook voor De Kempen gemaakt met behulp van informatie uit onderzoeken die al voor dit gebied waren uitgevoerd. We hebben aan de voorkant geen verdeling voor de realisatie van duurzame opwek afgesproken over de gemeenten.

In de eerste plaats wordt de RES elke twee jaar herzien. We vragen ons dan af; moeten we ambities veranderen en moet er worden bijgesteld m.b.t. ontwikkelingen van technologieën? We werken nauw samen met Brainport Development hierin. We leggen sommige aspecten terug bij gemeenten. Zo kunnen we b.v. ontwikkelde technologieën testen binnen de regio, onder bouncing costs. Ook werken we samen met de TU/e en b.v. de Metalot campus.  

Bij ontwikkelingen is het soms een kwestie van uitproberen in praktijk.

Bij warmte proberen we grip te krijgen hierop door scenario’s te maken; zullen we even wachten of alvast aan de slag. Er zijn altijd redenen om niet te starten. Innovaties hebben tijd nodig; en er moeten al resultaten behaald gaan worden met huidige technologieën. Ontwikkeltijd is dus nodig, maar dit wil niet zeggen dat we niet moeten oefenen.

Warmtebronnen zijn soms overstijgend wat betreft gemeentegrenzen. Dan rijst de vraag; wie mag een bepaalde bron gebruiken? Daar gaan we per sub-regio over spreken.

De bedrijven worden via verschillende wegen betrokken. Er zijn vanuit de verschillende werkgroepen diverse werkateliers en digitale bijeenkomsten georganiseerd waar bedrijven bij aanwezig waren en hun input konden geven. Bedrijven hebben een belangrijke rol binnen de RES.

De woningbouw wordt niet beperkt. Hinder van energieopwekking voor inwoners wordt zoveel mogelijk voorkomen. Een logisch gevolg is dan inderdaad dat grootschalige energieopwekking op een bepaalde afstand van bewoning wordt gesitueerd.

We doen momenteel onderzoek naar hoe we uitvoering gaan geven aan de verschillende projecten. Ieder project zit namelijk op een ander niveau; de een kan beter lokaal aangepakt worden of alleen in samenwerking met buurtgemeenten, terwijl het andere project wel goed is in samenwerking met de MRE. Nu kijken we dus welke projectthema’s en op welk schaalniveau wij dit de komende tijd gaan oppakken.

De 21 gemeenten in de regio, de 2 waterschappen en de provincie zijn samen verantwoordelijk voor het opstellen van de Regionale Energiestrategie en het maken van afspraken. In de Stuurgroep RES zijn al deze partijen vertegenwoordigd, waarbij de gemeenten worden vertegenwoordigd door een wethouder uit hun subregio. De organisatie Metropoolregio Eindhoven levert de procesmanagers voor het proces. De RES zelf is een politiek-bestuurlijk document en niet als zodanig bindend voor derden. De RES wordt vervolgens verwerkt in gemeentelijk beleid en verankerd in een structuur- of omgevingsvisie. Daarna wordt het geoperationaliseerd in verordeningen, bestemmings- of omgevingsplannen en toegepast bij het verlenen van vergunningen. Zo wordt stapsgewijs de juridische status verankerd bij operationalisering via de instrumenten van de WRO/Omgevingswet.

De aardbevingen in Groningen laten zien dat het winnen van Nederlands aardgas niet op dezelfde weg door kan gaan. We willen echter ook niet meer afhankelijk worden van aardgas uit vaak onstabiele of ondemocratische landen. Daarom is in het Klimaatakkoord afgesproken dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas gaan.

Nederland en Duitsland zijn niet hetzelfde, onze startpositie is totaal anders en we hebben dan ook een andere route nodig om te verduurzamen. Omdat er in Duitsland nu nog veel met vervuilende oliegestookte ketels verwarmt wordt en omdat er meer kolencentrales dan gascentrales staan kunnen de Duitsers als tussenstap CO2 besparen door op aardgas over te gaan. Een tussenstap waar ook in Duitsland trouwens veel kritiek op is. Want uiteindelijk zal Duitsland ook van het aardgas af moeten als het land in 2050 CO2 neutraal wil zijn. Kortom, zij zijn daarmee nog verder van het einddoel (klimaatneutraal in 2050) dan wij.

België wil ook ‘fossielvrij’ zijn in 2050. Hier wordt momenteel nog deels aardgas uit Groningen gebruikt. Omdat het Groninger veld in 2022 ‘dicht’ gaat wordt gezocht  naar alternatieven voor de korte termijn, en wordt als tussenstap een nieuw gasnet aangelegd, dat geschikt is voor zogenoemd ‘rijk’ aardgas uit Noorwegen, Rusland en Qatar. Maar uiteindelijk wil België ook geheel van het aardgas af.

Op basis van het energieverbruik en het aantal inwoners mag het Rijk een aandeel van ongeveer 1,7 TWh van de MRE-regio verwachten in de landelijke opgave van 35 TWh. Het bod van de MRE-regio in de concept-RES is 2,0 TWh. Dit is realistisch als we kijken naar de draagkracht van het landschap en de initiatieven die al gerealiseerd en gepland zijn. Met die extra 0,3 TWh laten we ook zien dat we als regio ambitie hebben en dat we de verantwoordelijk nemen voor de extra elektriciteitsvraag die op ons afkomt. Denk daarbij aan zaken als forse groei van elektrisch vervoer, de woningbouwopgave van de regio en Eindhoven in het bijzonder (nieuwbouw, dus alles gasloos) en elektrificatie van de warmtevraag.  

In het klimaatakkoord is afgesproken dat 70% van het elektriciteitsgebruik in 2030 duurzaam is. Dit wordt verdeeld over 49 TWh wind op zee, 35 TWh grootschalig op land en 7 TWh kleinschalige zon op dak. Met het bod geven we invulling aan de 35 TWh grootschalige energieopwekking op land en daarmee de verduurzaming van het Nederlandse elektriciteitsgebruik. Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend.

Voor de gebouwde omgeving is tevens afgesproken dat er in 2030 1,5 miljoen woningen of equivalenten van het aardgas zijn afgekoppeld en over gaan op een duurzame warmteproductie. Deze opgave komt bovenop de elektriciteitsopgave, maar kan deels opgelost worden met het opwekken van duurzame elektriciteit. Voor de duurzame warmte opgave stelt elke gemeente eind 2021 een transitievisie warmte op. Hierin geeft elke gemeente aan welke mogelijkheden zij per gebied zien voor duurzame warmte. Tegelijkertijd wordt er al gestart met de eerste pilotwijken in Eindhoven en lopen er aanvragen voor pilotwijken in Laarbeek en Helmond.

Wat de opgave wordt voor de duurzame warmte is nog niet te zeggen. Dit hangt af van de aanwezigheid van lokale duurzame bronnen en de uiteindelijke keuze voor een specifieke bron. Elk type warmtebron bepaalt de randvoorwaarden voor een succesvolle implementatie. Een oplossing met elektriciteit vraagt bijvoorbeeld veel meer isolatie dan een warmtenet, waardoor er uiteindelijk minder energie nodig is om te komen tot een duurzaam verwarmde omgeving. Niet elke woning is echter geschikt voor elke warmtebron en niet elke warmtebron is overal beschikbaar. Daarbij kan de keuze voor een specifieke warmtebron ook beïnvloed worden door andere voorwaarden zoals de maatschappelijke kosten van de infrastructuur, draagvlak in de wijk, etc.
 

Op basis van ons regionale verbruik en aantal inwoners zou het Rijk een aandeel van ongeveer 1,7 TWh van de MRE-regio kunnen verwachten in de landelijke opgave van 35 TWh. Met die extra 0,3 TWh laten we zien dat we als regio ambitie hebben en dat we de verantwoordelijk nemen voor de extra elektriciteitsvraag die op ons afkomt. Denk daarbij aan zaken als forse groei van elektrisch vervoer, de woningbouw opgave van de regio en Eindhoven in het bijzonder (alles gasloos) en elektrificatie van de warmtevraag. 

Alle gemeenteraden in de MRE-regio hebben in de Startnotitie RES MRE met elkaar afgesproken dat we RES als een opgave van ons alle zien, waaraan iedere gemeente zijn bijdrage levert.

Wij zien ons bod als een regionaal bod. Daarom verdelen wij dat ook niet expliciet over gemeenten, zoals sommige andere RES-regio’s wel hebben gedaan. De betrokken overheden moeten de RES vertalen naar hun omgevingsvisie en -plannen en (lokaal) beleid opstellen.

In de verdere uitwerking naar de RES 1.0 en zo nodig doorlopend richting RES 2.0 komen we op basis van een PlanMER, waarin alle gemeenteraden en inwoners worden betrokken, tot mogelijke ontwikkelgebieden.

Van de gemeenten wordt verwacht dat dat tijdig (uiterlijk 2025) de vergunningen worden afgegeven om de realisatie voor 2030 mogelijk te maken. De 21 gemeenteraden, de twee algemeen besturen van waterschappen en Provinciale Staten hebben aangegeven zelf verantwoordelijkheid te erkennen en te nemen om de gestelde opgave – op tijd – te realiseren.

De opgave van het Rijk aan de 30 RES-regio’s is om, vóór 2030, 35 TWh aan grootschalige opwek met zon en wind te realiseren, omdat dit bewezen technieken zijn. Andere technieken zijn nog niet voldoende doorontwikkeld en mogen dan ook niet worden meegeteld in het het bod per RES-regio voor 2030.

De inzet van nieuwe technieken vanaf 2030 richt zich op de nog veel grotere opgave voor duurzame opwek van elektriciteit richting 2050 en na het verstrijken van de 25 jaar het (deels) invullen van die 35 TWh met andere technieken.

Het is niet de bedoeling dat gemeenten nu niets gaan doen in afwachting op de RES 1.0. Wel is het belangrijk om continue de afstemming te houden met de regionale ontwikkelingen. Gemeenten hebben natuurlijk geen identiek beleid. Zo spelen er in landelijke gemeenten andere belangen en ambities dan in stedelijke gemeenten. Ook de mogelijkheden ten aanzien van het realiseren van de energietransitie verschillen per gemeente. De overeenkomst is dat vrijwel iedere gemeente de ambitie koestert om energieneutraal te worden. Dit houdt in dat alle energie uit duurzame / hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Een klein aantal gemeenten formuleert dit iets anders, namelijk in termen van ‘klimaatneutraal’. Dit betekent dat bij het opwekken van energie geen broeikasgassen worden uitgestoten. De ambities ten aanzien van tijdsbestek waarin deze doelstellingen worden verwezenlijkt, lopen ook uiteen. Sommige gemeenten hebben de ambitie om dit in 2025 te realiseren, terwijl andere gemeenten dit voor 2050 willen.

Er is veel afstemming met andere regio’s, met name de andere regio’s in Brabant en de regio Noord- en Midden-Limburg. Daarnaast wisselen we ervaringen uit met de andere RES-regio’s via het landelijk programma voor de RES-sen. Iedere regio heeft zijn eigen aanpak gekozen, passend bij de eigen regionale identiteit. Uniek aan onze samenwerking is uiteraard de innovatie-kracht binnen onze Brainport-regio. 

Als bron voor het energieverbruik is uitgegaan van de Klimaatmonitor.

Alle gemeenteraden worden nadrukkelijk betrokken bij de planMER en bij de RES 1.0. De gemeenteraden gaan over het vaststellen van de ontwikkelgebieden binnen uw gemeentegrenzen.

Landschappelijk zijn grootschalige zonne- en windturbineparken het beste te verenigen met jonge grootschalige zandontginningen. Dit zijn tevens de gebieden waar kansen liggen voor versterking van de daar aanwezige agrarische economie. Windturbineparken en zonnevelden kunnen in combinatie met landbouw bijdragen aan het behoud van een vitale toekomstbestendige sector in onze regio. In het vervolgproces is het altijd een afweging van opgaven en een onderzoek naar een mogelijke combinatie van opgaven.

Het is geen foutje. Het gebied is aangewezen, ondanks de ligging deels in het beekdal, omdat hier kansen liggen om gebiedsopgaven te combineren, omdat het dicht bij een verdeelstation ligt en er kansen zijn om een project ‘van onderaf’ op te starten in dit gebied. Het is aangewezen omdat we willen onderzoeken of en hoe er toch ruimte kan worden gegeven voor energieopwek, rekening houdend met de kwetsbaarheid van (een deel van) het gebied. Uit de planMER moet blijken of en hoe zonnevelden en/of windmolens milieutechnisch verantwoord kunnen worden gerealiseerd. De kleur die het gebied heeft gekregen zegt op dit moment nog niets over de mate waarin we denken dat dit gebied geschikt is.

Ja, in het totale RES-proces zijn er verschillende momenten waarop de RES interacteert met het omgevingsbeleid. Ook in het RES proces zoeken we de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Daarnaast is ook participatie is in het proces richting het verfijnen van de zoekgebieden nadrukkelijk van belang. Gemeenten, waterschappen en provincie zullen naar aanleiding van de RES beleid voor zonne- en/of windenergie maken of actualiseren en dit verankeren in hun omgevingsbeleid.

Wij zien een reeks van opgaven in het buitengebied, zoals de Transitie Landelijk gebied, extensivering, kringlooplandbouw, vrijkomende agrarische locaties en Klimaatadaptatie. Gelet op al deze opgaven in het buitengebied zetten we voor de verfijning van de zoekgebieden naar ontwikkelgebieden in de RES MRE 1.0 (of 2.0) in op het wegen van de milieueffecten in een PlanMER en de koppelkansen.  Door het koppelen van ontwikkelingen verlagen we totale druk op het buitengebied.

De energietransitie is een gezamenlijke opgave en iedereen draagt bij, waarbij voor de RES Metropoolregio Eindhoven de regiogemeenten, de provincie en de waterschappen nadrukkelijk aan zet zijn. Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. De opgaven zijn regionaal geformuleerd; de gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor invulling en realisatie. Daarbij realiseren wij ons dat de mogelijkheden en kansen en fasering per gemeente kunnen verschillen.

Momenteel zijn we aan de slag met de acties om te komen tot een RES 1.0. De afspraken en leidende principes uit de RES worden in beleid en regels opgenomen. Dat betekent dat:

  • gemeenten en stakeholders afspraken uit het energiebesparingsplan opnemen in hun beleid;
  • gemeenten de zoekgebieden voor wind die in 2030 ingevuld moeten zijn, verankeren in hun omgevingsbeleid. Ook de provincie en de waterschappen bieden deze ruimte in hun beleid;
  • gemeenten beleid voor zonne- en/of windenergie maken of actualiseren en dit eveneens verankeren in hun omgevingsbeleid;
  • provincie en gemeenten zich inspannen om procedures voor vergunningverlening voor wind- en zonprojecten uit deze strategie voor 2025 af te ronden. De provincie is bevoegd gezag voor windprojecten (tussen 5 en 100 MW) en gemeenten zijn bevoegd gezag voor zonneprojecten (tot 50 MWp). Zij zijn dus verantwoordelijk voor de afwikkeling van procedures over RES-projecten voor 2025;  
  • gemeenten uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte vaststellen. Deze stemmen zij in regionaal verband op elkaar af. De provincie ondersteunt dit via de adviseurs Aardgasvrije Wijken.

Elke twee jaar wordt de RES bijgesteld op basis van nieuwe inzichten, innovaties en ervaringen. Zo ontwikkelt de RES zich stapsgewijs.

Via onze samenwerking met VNO/NCW en Brainport Development proberen we zoveel mogelijk de verbinding te leggen met het lokale bedrijfsleven. Bij initiatieven voor duurzame opwek kunnen verschillende initiatiefnemers betrokken zijn. Uitgangspunt is dat we streven naar maximale financiële participatie. De huidige wet- en regelgeving biedt weinig ruimte om ruimtelijke opgaven met sociale aspecten, financieel van aard, af te dwingen bij ontwikkelaars. Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Richting RES 1.0 wordt dit onderwerp uitgewerkt.

Een nieuw kabinet moet besluiten nemen hoe Nederland van 49 naar 55 procent minder CO2 gaat in 2030. Dit heeft geen directe consequenties voor de RES, omdat we hier van onderop redeneren: uitgangspunt dat we vanuit de draagkracht van ons landschap bepalen wat haalbaar is voor opwek van duurzame elektriciteit. Daarbij gaan we nu uit van een bijdrage van 2 TWh voor onze regio voor de RES 1.0. Elke 2 jaar vindt er een herijking plaats van de RES. Dan wordt beoordeeld of de doelen en ambities nog ambitieus genoeg zijn. Bovendien is de verwachting dat wij door technologische vooruitgang en opgedane ervaringen nieuwe inzichten krijgen.

Uiteindelijk beslissen 21 gemeenteraden, de waterschappen en de provincie over wat zij afspreken binnen de RES. Zoals in de Startnotitie voor de RES is afgesproken is het uitgangspunt dat alle gemeenten bijdragen. Sancties zijn niet aan de orde. Mochten gemeenten verschillen van inzicht wordt het gesprek aangegaan, in eerste instantie tussen de gemeenten onderling.

Om het klimaatprobleem op te lossen, is het dichtdraaien van de bron, dus realisatie van meer duurzame energie, verreweg het belangrijkst. Als dat niet gebeurt, wordt het aan het einde van deze eeuw 3 tot 5 graden warmer. Herbebossing kan daar maximaal ongeveer een derde graad vanaf halen. De komende 10 jaar gaat de provincie Noord-Brabant de bossen toekomstbestendiger maken. Mede vanwege de rol die bossen spelen in de vastlegging van CO2. Dit staat in de Brabantse Bossen strategie.

De landelijke opgave in het kader van de RES bedraagt 35 TWh aan grootschalige hernieuwbare energie opwek op land. De regio’s zijn aan zet om ieder binnen hun eigen mogelijkheden (dus binnen de regio) een significante bijdrage te leveren aan de energietransitie. Voor onze regio is het uitgangspunt dat de draagkracht van het MRE-gebied leidend is voor ons bod en dat we niet toewerken naar een door onszelf opgelegd bod. Om een realistisch bod te kunnen doen hebben we niet alleen een technische en wettelijke analyse gedaan, maar nadrukkelijk gekeken naar de draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven. Op basis daarvan verwachten we dat we binnen de regio 2 TWh kunnen bijdragen aan grootschalige energie-initiatieven in 2030.

De RES gaat over de thema’s gebouwde omgeving en elektriciteit.  We zijn wel in overleg met andere partijen om te zoeken naar meekoppelkansen met andere opgaven, zoals mobiliteit, landbouw, grootschalige industrie, klimaatadaptatie, leefbaarheid en circulaire economie.
 

Verduurzaming van onze energievoorziening is noodzakelijk én een kans om als regio sterker te worden. De RES zetten wij daarom in als hefboom voor kwaliteitsverbetering. Dit door de energietransitie te koppelen aan andere opgaven en te kijken of de energieprojecten een (deel van de) oplossing kunnen zijn. Voorbeelden zijn verduurzaming van de landbouw, versterking van natuur en het realiseren van een klimaatadaptieve omgeving.

Hierbij staat niet de energieopwekking voorop, maar staan de opgaven centraal die met de revenuen van duurzame energieopwekking aangepakt kunnen worden. De opwekpotentie is hierbij minimaal en staat ten dienste van een andere opgave in een gebied. Kortom; energieopwekking als mogelijke inkomstenbron voor landschapsdiensten, ecosystemen en waterdiensten.

Essentieel in de RES is dat 21 gemeenteraden, de twee algemeen besturen van waterschappen en Provinciale Staten in de startnotitie voor de RES hebben aangegeven zelf verantwoordelijkheid te erkennen en te nemen om de gestelde opgave – op tijd – te realiseren. Uitgangspunten is te streven naar een uniforme besluitvorming in alle colleges, dagelijkse besturen, staten, raden en algemene besturen. Het voeren van overleg is het belangrijkste middel om eventuele verschillen van inzicht op te lossen. Uiteindelijk is elk betrokken overheidsorgaan autonoom in de besluitvorming.

Op basis van de beschikbare data (Klimaatmonitor) komen we uit op een verbruik van 14,25 TWh (per 2017).

Met name het traject van de planMER en de participatiebijeenkomsten heeft de Kempengemeenten veel kennis gegeven en ook de mogelijkheid geboden om bepaalde keuzes te baseren op feitelijkheden. Daarnaast heeft het zorgvuldig doorlopen traject in de Kempen gezorgd voor meer draagvlak onder inwoners en stakeholders, gezien zij uitgenodigd waren voor bijvoorbeeld zon- en windsafari’s, informatiebijeenkomsten, presentatieavonden en participatiebijeenkomsten. Op deze manier kregen ze ook zelf inzicht omtrent de materie en konden ze de resultaten van de verschillende onderzoeken inzien/bediscussiëren. Aspecten waar we in de Kempen nog tegenaan lopen hebben bijvoorbeeld te maken met de netcapaciteit in bepaalde gebieden, wet- en regelgeving maar ook het stimuleren van lokale initiatieven voor grootschalige zonne- en windprojecten (bijv. coöperaties).

In De Kempen is de PlanMER al uitgevoerd. Daaruit blijkt dat bij de verfijning van zoekgebieden naar ontwikkelgebieden, door het uitvoeren van de PlanMER, gemiddeld 22 % van de zoekgebieden overblijft als ontwikkelgebieden. Om tot een realistisch bod voor de regio te komen is dit percentage dan ook losgelaten op alle zoekgebieden in de MRE regio. Op basis van de draagkracht voor zonneparken voor de verschillende landschapstypen en de wettelijke technische beperkingen ligt het totale potentieel van de zoekgebieden tussen de 4,4 en 5,4 TWh. 22 % van het gemiddelde is 1,1 TWh: de bijdrage in nieuw te realiseren zonne- en windparken als deel van het bod van 2 TWh.

Het is aan de voorkant een bewuste keuze geweest van de gemeenten, provincie en waterschappen die hierin samenwerken om geen verdeling over de gemeenten af te spreken. Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend.

Voor de opgave van de 35 TWh grootschalige opwek op land heeft de Rijksoverheid al rekening gehouden met de veranderingen in het elektriciteitsgebruik in Nederland. Het bod van de 2 TWh is dus onderdeel van de landelijke opgave.  Het CBS en het PBL toetsen dit landelijk aan de verwachte groei van het elektriciteitsgebruik. Er is gekozen om dit regionaal niet opnieuw te toetsen.

Het elektriciteitsverbruik zal landelijk en regionaal groeien, doordat de warmte- en brandstofvoorziening van mix gaat veranderen. In deze mix zal elektriciteit een rol spelen, maar onduidelijk is nog hoeveel. Voor de warmteopgave verwachten we dat circa 1/3 woningen in deze regio over zal gaan naar een elektrische warmtepomp. In de transitievisies warmte (eind 2021) zal per gemeente een eerste inschatting gemaakt worden of deze verwachting klopt. Deze schattingen zijn echter nog onvoldoende zeker om  vast te stellen dat dit ook de oplossing gaat zijn. Voor investeringen in het netwerk is ook veel meer zekerheid nodig dat een gebied ook daadwerkelijk gebruik gaat maken van elektriciteit als warmtebron. Voor de uitwerking van onze regionale plannen is de onzekerheidsmarge nog dermate groot, dat we nog geen betrouwbare inschatting kunnen maken over het elektriciteitsgebruik in 2030 en 2050. In de komende jaren zullen de beleidskeuzes van de gemeente een steeds beter beeld geven in hoeverre elektriciteit een oplossing gaat zijn voor duurzame warmte. Dan kunnen we ook beter inschatten wat de daadwerkelijke groei gaat zijn van het elektriciteitsgebruik.
 

De 2 TWh in ons bod is gebaseerd op de draagkracht van het landschap, in relatie tot de landelijke opgave die we hebben gekregen om in totaal 35 TWh aan grootschalige duurzame energie te realiseren. De warmtetransitie kan zorgen voor een toename aan elektriciteitsvraag, waardoor wellicht in de toekomst een nog hogere opgave bij de regio’s komt te liggen.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de decentrale overheden verantwoordelijk zijn voor een gedragen verdeelsystematiek als blijkt dat de nationale opgave onverhoopt niet gehaald wordt. Deze verdeelsystematiek is dus alleen nodig als de RES’en samen niet tot de doelstelling van 35 TWh optellen. Wij kunnen als regio het bod van 2 TWh goed onderbouwen, dus verwachten niet dat we een extra opgave opgelegd krijgen.

Nieuwe stations ontwikkelen is een ingrijpende ontwikkeling binnen een regio qua ruimtegebruik. Er moeten veel afwegingen voor gemaakt worden door verschillende partijen en het proces bestrijkt veel stappen. Voorbeelden hiervan zijn: de locatiebepaling, aankopen van grond (groot oppervlak nodig), doorlopen van de vergunningstrajecten, ontwerp, ontwikkeling, aanleg en bouw van het station. Er is voor elke fase gedegen onderzoek nodig. Vanwege de omvang en duur is het ook een kostbaar traject wat maatschappelijk gefinancierd wordt. De beslissingen moeten daarom weloverwogen gemaakt worden. Ook dit vergt tijd.

Meer informatie over de tijdsimpact vindt u in de Netwerkrapportage van de RES 1.0 op pagina 22.

De zoekgebieden in de concept RES 1.0 zijn in regionaal verband tot stand gekomen, met als uitgangspunt dat we kijken waar het in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven zijn hierbij leidend. Bij grensoverschrijdende zoekgebieden gaan gemeenten hierover vervolgens met elkaar in overleg. De RES zelf is immers een politiek-bestuurlijk document en niet als zodanig bindend voor derden. De RES wordt vervolgens verwerkt in gemeentelijk beleid en verankerd in een structuur- of omgevingsvisie. Daarna wordt het geoperationaliseerd in verordeningen, bestemmings- of omgevingsplannen en toegepast bij het verlenen van vergunningen.

In Hapert zijn ze al eerder bezig geweest met het MER. Daar is er geen capaciteit meer in het netwerk. Dit onderzoek is inmiddels afgerond, en hieruit concluderen we dat er nu geen duurzame opwek mogelijk is. Voor Maarheeze is het allemaal een stuk recenter. Pas sinds 4 maanden is de capaciteit opgeraakt in het station. Momenteel loopt er een congestie-onderzoek. Het definitieve antwoord moet dus nog komen. Daardoor is het nog onduidelijk wanneer en hoeveel capaciteit er beschikbaar komt in de toekomst. Tennett doet momenteel landelijk een netstudie naar hoe we de 35 TWh die we duurzaam willen gaan opwekken voor 2030 kunnen aansluiten. Welke investeringen zijn daar voor nodig? Deze investeringen komen in de plannen van Tennett, en deze komen eind dit jaar in beeld.

Vooral de complexiteit zorgt ervoor dat het zo lang duurt. Er is nog onzekerheid over de definitieve locaties. Door de afstemming met de RES, kunnen we ook kijken naar waar er initiatieven gaan komen. Tennet doet dit op landelijk niveau, Enexis hier in de regio. We kunnen niet overal tegelijkertijd de netcapaciteit uitbreiden, dit maak thet een complexe puzzel. Aan de voorkant moeten we berekenen wat de effecten zijn van de verschillende plekken. We hopen eind dit jaar daar duidelijkheid over te hebben. Dan kunnen we straks keuzes maken over waar we daadwerkelijk het netwerk gaan verzwaren. Hierbij is het belangrijk om een afweging te maken in tijd en geld.

 

Dit is in het MER niet meegenomen, omdat wij dit niet zien als een milieu-effect.

Flexibiliteit netopslag gaat natuurlijk wel een steeds grotere rol spelen in de toekomst. De onderzoeken lopen in netbeheer- en nationaal verband.

Het voorkeursalternatief vanuit de concept RES is doorberekend door de netbeheerders. Hier zijn  een aantal knelpunten uitgekomen, en daar gaan ze nu mee aan de slag. Dit nemen we mee in de verwachtingen van ons bod voor 2030.

De milieueffect beoordeling wordt meegenomen in de afweging. Deze worden eerst voorbereid in de stuurgroep, dan gaat het langs een PoHo (portefeuillehouders overleg). Daar wordt de komende tijd met alle verzamelde input, ook vanuit de zienswijze van de gemeenteraden, bekeken of er door de portefeuillehouders tot een voorstel gekomen kan worden en die worden weer voorgelegd aan de raden. Dan hebben we een set van zoekgebieden, die weer worden meegenomen in de RES 1.0. We verwachten na de zomer, eind september, de knoop door te kunnen hakken. Vervolgens gaat het naar de raden.

Hier is nog geen duidelijkheid over te geven. In de periode juli-december gaan de raden beslissen in welke zoekgebieden we als regio duurzame opwek willen ontwikkelen tot 2030.

Binnen het MER:

Windenergie: Van de 38 zoekgebieden die de regio telt passen er in 20 windenergie. Misschien zijn er wanneer gedetailleerder bekeken, nog meer mogelijkheden. Onder de onderzoek aannamen van ons rapport vallen deze af.

Zon: Twee gebieden vallen op basis van de belemmeringenkaart af; zonne-energie blijkt niet in te passen.

Gebieden die heel negatief scoren, vallen niet door ons af. Dat is een politieke keuze.

2030 is de termijn waar rekening mee gehouden wordt. Dit betekent dat na 2025 pas  gebouwd gaat worden. Tot 2025 besteden we aan het traject van vergunningen, bestemmingsplannen (wijzigen); alles wat nodig is om de bouw mogelijk te maken.

Op het opstellen van dit PlanMER heeft dat geen invloed want onze onderzoeksopdracht reikt tot 2030. De Provincie sluit hierop aan door het indienen van een Zienswijze waarin ook input van onze RES wordt meegenomen. De opgave richting 2050 is veelomvattend. Dit punt is onder de aandacht bij zowel de regio, netbeheerder, als Provincie.

We weten dat als er een zonnepark langs een weg geplaatst wordt het geluid verder zal reiken t.o.v. een zonnepark langs grond. Wij berekenen dit wel eens, maar het is een klein effect en heel plaatselijk. Wij vinden het niet passen bij het detailniveau van het PlanMER. We zien het wel als een aandachtspunt. Wanneer we het hebben over de inrichting van een zonnepark; dan kan hier  rekening mee gehouden worden d.m.v. afstand houden, beplanten etc.

Deze zijn niet meegenomen omdat het proeven zijn. We kijken naar beproefde technieken.

We hebben in ieder geval voor ons onderzoek ook de woningen die buiten de MRE liggen meegenomen (de effecten daarop). Maar wat er niet in opgenomen is; effecten op milieu binnen MRE door maatregelen in andere RES-sen (regio’s).

De details van die methode zijn mij niet bekend. Echter, b.v ongerepte natuurpanorama’s die daarin belangrijk zijn, nemen wij op vergelijkbare wijze mee in de scores (niet binnen ecologie, maar via een negatievere score bij windenergie).

In zoekgebied 38 zijn de zones langs de snelweg samengenomen, om deze toch mee te kunnen nemen in het MER. Dit is een heterogeen gebied. De resultaten van de belemmeringen kaart en landschappelijke analyse spreken voor zich. Voor zoekgebied 38 zegt de analyse niet zoveel, maar  individuele gemeenten kunnen hier wel mee aan de slag. Het biedt een kader.

De no-regret taartpunt valt buiten het MER. Het gaat in het MER over de grootschalige opwek. Wel is er gekeken naar de mogelijkheden langs de zones langs de snelweg, in gebied 38. Deze zones hebben dus ook een beoordeling gekregen. De resultaten zijn alleen niet zo strak, omdat dat gebied erg heterogeen is. De vraag is dus in hoeverre je daar binnen het detailniveau van dit PlanMER conclusies uit kan trekken. Dit kan wel straks van dienst zijn voor gemeenten die hiermee aan de slag gaan.

Ja, zowel rijkswegen als provinciale wegen.

In het MER is er gekeken naar de opwek potentie. In principe kun je de opwekking van duurzame energie makkelijk volledig met wind doen, evenals volledig met zon. Maar wij vinden systeem efficiëntie belangrijk. Hierbij gaan we voor de laagst mogelijke maatschappelijke kosten van de energietransitie. Zowel door Tennet als Enexis wordt een combinatie van zon en wind aanbevolen. Dit is goedkoper en levering zekerder. Er wordt dus aangeraden hier een mix van te maken.

De gebieden zelf zijn uitgesloten, voor wind-energie geldt daarbij ook dat de wieken daar niet overheen mogen komen. Er moet dus een wiek-lengte afstand gehouden worden tussen een windmolen en een beschermd natuurgebied.

De fysieke bouwnormen zijn opgenomen in de harde belemmeringen. Daarbuiten geldt een toetsingskader met verschillende aspecten. Dit is geen harde beperking. Het zou wel kunnen dat een individueel windpark niet door het toetsingskader heen komt. Daarom is dit niet meegenomen als harde belemmering, wel als een minnetje. Verder onderzoek is nodig op concreter niveau, wanneer er sprake is van een bepaald initiatief in de omgeving.

Dat is niet meegenomen. Hier is ook niet zozeer de aanleiding voor. Het effect daarvan is namelijk zo klein, dat dit niet een belangrijke bijdrage levert.

Dit arrest (Arrest van 25 juni 2020 m.b.t. toepassing van SMB richtlijn 2001-42-EU) gaat niet direct over de gezondheidseffecten, maar of de Nederlandse normen wel op de juiste manier tot stand zijn gekomen. Tot nu toe gaan we er nog van uit van wel.  Uit studies blijkt dat grotere windturbines geen extra gezondheidseffecten met zich meebrengen. Een toename van de afmetingen leidt dus niet tot een toename van de hinder. Alleen het zicht is anders bij een grotere windmolen, waardoor het gevoel kan ontstaan dat de windmolen over je heen torent. Dat kan en dit nemen we ook zeker mee. Op dit moment sluiten wij ons aan bij de Nederlandse milieunormen, en daar staan wij ook achter. Nederlandse gemeenten kunnen hier extra aandacht aan besteden, maar het MER kijkt naar wat er technisch mogelijk is en volgt hierbij de wettelijke normen.

In het MER is aangenomen dat de Nederlandse wettelijk geldende normen voor windturbines voldoende bescherming bieden om eventuele gezondheidseffecten tegen te gaan. Het onderzoek is dus uitgegaan van deze normen, en veronderstelt hierbij dat wanneer hieraan voldaan wordt er ook geen gezondheidseffecten zichtbaar zijn. Deze worden voldoende beperkt door de wettelijke normen.

Dit heeft te maken met dat we gaan voor de laagst mogelijke maatschappelijke kosten. Voor Enexis is de mix tussen zon en wind erg belangrijk. Het wordt heel duur om ons te richten op alleen zonne- of alleen windenergie. Relatief gezien waait het hier minder hard dan aan de kust, maar betekent niet dat het onlogischer is op deze plek. Windenergie is hier nog steeds efficiënter dan zon, en dus kunnen we hier nog steeds een groot deel van onze opwek mee realiseren. De verhouding tussen wind en zon is erg belangrijk. Een mix is sowieso goedkoper dan wanneer we ons alleen op zon zouden richten.

Het MER sluit aan bij de landelijke milieunormen voor geluid en slagschaduw, uitgedrukt in belasting. Hierbij is de vuistregel gemaakt dat windmolens minimaal op 400 meter afstand moeten liggen van woningen. Dit zijn de landelijke normen waar wij ons op baseren. Dit is vastgesteld op basis van verschillende onderzoeken. Hierbij zal er een bepaalde mate van hinder zijn, maar er moet ook een belangenafweging gemaakt worden. De energietransitie kent een bepaald belang. Nederland is een dichtbebouwd land, waardoor wij bijvoorbeeld genoegen nemen met 9% hinder, terwijl andere landen mogelijk de luxe hebben om uit te gaan van 3%. Overigens is onze minimum afstand vergelijkbaar met landen als Denemarken en België.  

Ja, daar is rekening mee gehouden. Dit soort afmetingen zijn prima rendabel in heel Nederland.

In vergelijking met Europa heeft heel Nederland een goed windaanbod, het waait hier relatief hard. Het is zeker waar dat het op zee en aan de kust harder waait dan hier in het binnenland. Dit betekent  dat er hier misschien een hogere mast gebruikt moet worden om dezelfde windsnelheden te gebruiken als aan de kust.

De 400m afstand is meegenomen in de kaart harde belemmeringen. Wanneer een windturbine dichterbij geplaatst wordt is de kans namelijk groot dat de turbine niet aan de milieunormen kan voldoen. Wanneer de afstand groter is dan 400 meter kan dit wel, en blijft de hinder beperkt. Voor de hoogte is er uitgegaan van één referentie type. Het MER is een scan van het gehele gebied, waarbij nog niet is voorgesorteerd op elk individueel gebied. 225m hoog is een gangbare afmeting voor moderne ontwikkelingen van windturbines, en om deze reden hier dus als uitgangspunt genomen.

Deels staan er al windmolens van deze hoogte, deels komen die het komende half jaar. Het afgelopen jaar zijn er vergunningen uitgegeven voor windmolens tussen de 220 en 260 meter hoog. De Rotterdamse haven is hier een voorbeeld van, met een windmolen van 260 m.

In het MER wordt uitgegaan van een standaard hoogte. Rotatie: 150m, tiphoogte 225 m. Dit is een voorbeeld. Door hier vanuit te gaan kunnen we vergelijkingen maken. Op individueel niveau kan de hoogte natuurlijk verschillen.

Geluid van vliegverkeer en zonneparken zijn een beetje een onderwerp. Er is onderzoek gedaan bij concrete projecten naar de weerkaatsing van geluid. Hieruit blijkt dat het niet een heel groot effect heeft. Echter, is dit wel goed om te onderzoeken op plekken waar zowel het vliegverkeer als woningen in de directe omgeving aanwezig zijn. Het gaat hier om een detail berekening, en dat past niet helemaal bij regio PlanMER. Wel is dit iets om te onderzoeken op concreter niveau bij inpassing van bepaalde projecten.

Er is een vergelijkbare tabel voor elke individuele locatie. U kunt zelf ook mixen en matchen. Dit vindt u in het digitale MER.

Straalpaden zijn niet meegenomen in de beoordeling. Hier geldt geen wettelijk kader voor. Bekabeling waarop hoogspanning staat, is wel degelijk een belemmering. We willen kansen op ongevallen minimaliseren. Er geldt dus een flinke afstand tussen hoogspanningsbekabeling en windturbines.

De Provincie Noord-Brabant heeft dit bepaald. De opwek mag niet plaatsvinden in  natuurgebieden. Er is echter een uitzondering gemaakt voor opwek langs de snelwegen. Daarnaast is dit als randvoorwaarde gesteld waardoor het niet volledig en voor altijd is uitgesloten. Er kunnen in de ontwikkelingsfase van projecten uitzonderingen gemaakt worden.

Met 400 m hebben we geprobeerd in te schatten waar ongeveer de milieunormen de plaatsing van windmolens onwenselijk maken. Dit zijn harde eisen. Bij de beoordeling van de milieueffecten hebben we gekeken naar hoeveel woningen er liggen binnen 500 meter. Als je kijkt naar 400 meter komt dat op 0 uit, want dat is een randvoorwaarde. Het gaat dus om woningen die in de buurt liggen, maar buiten de harde belemmeringen vallen. De woningen tussen 400 en 500 meter tellen mee in de rapportage, maar zij zorgen er niet voor dat het onmogelijk is, wel dat het gebied een negatievere beoordeling krijgt.

Er is een gehele opgave om te verduurzamen. Een deel wordt gerealiseerd door grootschalige opwek. In dit PlanMER kijken we alleen naar zonnevelden en windparken; dus alleen grootschalig. Particuliere daken vallen dus niet onder de opgave van opwekking van 2.0 TWh. Particuliere daken worden wel meegenomen in het klimaatakkoord. Landelijk is er gerekend op een groei tot opwek tot 7 TWh tot 2030 op particuliere daken. Dit is al meegenomen.

Door de komende jaren vol in te zetten op energiebesparing en daarmee zo snel mogelijk te beginnen, willen we voorkomen dat onze regionale opgave voor duurzame energie-opwek en de warmtetransitie nog groter wordt dan ze al is. De rol van de regio en de gemeenten hierbij is om hierin het initiatief te nemen en te faciliteren, stimuleren en regisseren, waarbij rekening gehouden wordt met landelijke ontwikkelingen en acties op het gebied van besparing. Er wordt, samen met de betrokken partijen, gewerkt aan besparingsplannen voor de doelgroepen Wonen, Bedrijven en Maatschappelijk Vastgoed.

Veel gemeenten zijn al bezig met initiatieven om het gedrag van mensen te beïnvloeden. Bijvoorbeeld via een project als de Groene Zone waarmee inwoners volledig ontzorgd worden bij de aanschaf van zonnepanelen.

Besparing vindt plaats binnen én buiten de RES. De RES biedt een basis voor energiebesparing. Dit doen we door kennis te delen en borgen en waar mogelijk samenwerkingen en aanpakken te faciliteren. De handvatten vanuit besparing zijn in de concept RES 1.0 uitgewerkt in verschillende modules waar gemeenten aan kunnen deelnemen of waar ze op kunnen besluiten te gaan samenwerken. Uiteindelijk staan gemeenten wel zelf aan de lat om het initiatief te nemen. Om energiebesparing dus een succes te laten worden moet het onderdeel worden van gemeentelijk beleid en de daar op volgende uitvoeringsplannen.

De RES gaat over de gebouwde omgeving, dus richt zich met name op gebouweigenaren. Huurders kunnen besparing samen oppakken met hun verhuurder of energiebesparing en duurzaamheid meenemen bij het aangaan van een nieuw huurcontract.

De focus in de RES ligt op bedrijventerreinen en kantoorgebouwen. Kantoorgebouwen (groter dan 100m2 moeten per 2023 voldoen aan energielabel C. Bedrijven met een energieverbruik groter dan 50.000 kWh of 25.000 m3 gas zijn verplicht om energiebesparende maatregelen door te voeren en daarover de informeren. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en de gemeenten gaan daarop handhaven.

De MRE zet in op het in beweging krijgen van inwoners om energie te besparen. Hiermee sluiten we aan bij de leefwereld van de inwoners en de leerlessen die zijn gedaan van eerdere energiebesparingsprojecten sinds de blok-voor-blok aanpak. Verduurzamen gaat voor de meeste mensen in kleine stappen met een ‘bouwstop’ tussen maatregelen. Vele kleine maatregelen maken samen grotere stappen.

Er is bewust gekozen om (vooralsnog) geen besparingspercentage centraal te zetten. Het besparingspercentage is per individuele woning of bedrijf verschillend en is achteraf niet te meten in relatie tot de genomen maatregelen. Voorop staat het daadwerkelijke gesprek met belanghebbenden dat ze consequent stappen moeten zetten naar een steeds duurzamer bedrijf, woning of kantoorpand.

Dit is een heel belangrijk onderdeel want door isolatie bespaar je energie. Alle energie die niet nodig is, hoeft niet te worden opgewekt.

Energiebesparing is voor bestaande bouw, Maar we zetten ook in op gedragsverandering, want voor besparing ( of energiegebruik) maakt het ook veel uit hoe je spullen/dingen gebruikt.

In Concept RES 1.0; staan opsommingen van mogelijke samenwerkingen. Maar stel vooral lokaal vragen aan wethouders.

Dit kan deels door bewustwording en deels financieel mogelijk maken.

Financieel mogelijk maken kan b.v. met een verzilverlening; ouderen wonen al lang in een woning en hebben overwaarde op de woning. Ze zouden dit kunnen investeren. Lening wordt afbetaald op het moment dat het huis wordt verkocht.

Daarnaast kan de gemeente bewustwording creëren; zoals communicatie over het denken aan de toekomst van b.v. kleinkinderen.  

Tot slot leidt isolatie tot meer wooncomfort.

Gedragsverandering is bewustwording creëren en de juiste communicatiestijl inzetten voor de juiste doelgroep en ook handelingsperspectief bieden en weerstanden wegnemen. Gemeente kan hier zeker een belangrijke rol in spelen. Is uiteindelijk belangrijk om b.v. het uitvoeren van de transitievisie warmte te doen slagen.

Praktisch kan de gemeente iemand inzetten om b.v. een energyscan te maken van huis of het organiseren van energy parties (delen energierekening) te faciliteren.

De gemeente kan faciliteren; lening en dan kan men terugbetalen via energierekening o.i.d. (winst die je daar maakt) en het kan worden opnemen in een ontzorgingstraject. Ook is er landelijk de energiebespaarlening.

Op lokaal niveau zal hier verder op worden ingegaan in de transitievisie warmte. Betaalbaarheid kan een (belangrijke) wegingsfactor zijn in de transitievisie.

Op het moment zijn dit de afspraken en mogelijkheden voor gemeenten. In het Energieakkoord uit 2013 heeft het Rijk met Woningbouwcorporaties afgesproken dat woningen voor eind 2021 gemiddeld een label B hebben. Verder is het klimaatakkoord uit 2019 de startmotor voor de warmtetransitie. Daarnaast maken gemeentes prestatieafspraken.

Woningcorporaties lopen dus, in het algemeen, vooruit op het verduurzamen van particulier bezit. Ze worden wat dat betreft dus al aangemerkt als startmotor in de warmtetransitie.

Daarnaast is het belangrijk stapsgewijs op te pakken. De woningcorporaties willen immers niet de sociale huurder mee laten betalen voor de energietransitie. Deze mensen hebben vaak gemiddeld al minder te besteden.

Ook geven woningcorporaties aan dat ze door de verhuurdersheffing zelf niet de middelen meer hebben om de extra stappen te betalen. Ze moeten inzetten op wat ze terug kunnen verdienen.

Energiebesparing gaat over 3 doelgroepen, wonen, bedrijven, gemeentelijke gebouwen. Onder “wonen” vallen inwoners (van sociale huurders tot/met huiseigenaren)

Het is een meerwaarde om samen te werken; samen ideeën opdoen en uitwerken.

We hebben o.a. modules gemaakt om energiebesparing te realiseren

Overkoepelend kunnen we samenwerken op het gebied van:

  • Communicatiestrategie
  • Ontzorging
  • Energieloket

Belangrijk is om hierbij ook samen te werken met Energiecoöperaties

Gemeentes kunnen kiezen om aan te haken en een aantal van de modules te gebruiken.

Besparing zorgt voor comfortabeler wonen. Daarnaast besparen mensen energie en geld.

Handhaving op het gebied van besparing bij bedrijven wordt gedaan door de Omgevingsdienst volgens de energie-informatieplicht.

De circulaire economie past niet in de RES, maar dit is wel een ander traject dat er parallel aan staat. In Nederland hebben we de ambitie om in 2050 volledig circulair te zijn. Zo werkt gemeente Someren hier bijvoorbeeld al stap voor stap aan in de gebouwde omgeving en bij wegen. Dit komt dus terug in een ander programma.

We stellen energiebesparingsplannen op in het kader van de RES om zoveel mogelijk CO2 te besparen. Dit doen we om onze inwoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen in beweging te krijgen. In de RES geven we aan welke strategie we volgen om tot de energiebesparingsplannen te komen. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met de verschillende doelgroepen en stakeholders. Op basis van succes- en faalfactoren wordt een gerichte aanpak geformuleerd, rekening houdend met de variëteit aan doelgroepen. Tussen regio’s wordt er actief kennis uitgewisseld om te leren van elkaar.

In de RES voor het MRE is besparing een belangrijk thema. Vanuit het Rijk hebben we als regio voor de RES de opdracht gekregen om te focussen op de thema’s Gebouwde omgeving en Elektriciteit. Het trekkerschap voor de andere thema’s (klimaattafels), zoals mobiliteit en industrie, ligt bij andere partijen.

Bij monitoring bij het onderdeel Besparing kun je twee onderdelen onderscheiden:

  • Het effect van de maatregelen door het verminderen van het energieverbruik en daarmee CO2 reductie. Hiervoor blijft de klimaatmonitor de beste insteek. Regionaal onderzoeken we of we hier de gemeenten mee kunnen ontzorgen. Het meten van het effect van de activiteiten in de energietransitie is bij besparing erg lastig, omdat de gemeente geen zicht heeft op veel variabelen. 
  • Het registreren van activiteiten en aanpakken van gemeenten. Deze monitoring is lastiger, omdat het de beweging moet vastleggen waar gemeenten maar een faciliterende rol in hebben. Ter illustratie: een inwoner die direct een aannemer inschakelt om te isoleren komt nergens in de systemen voor, maar is wel onderdeel van de beweging. Voor een goed voorbeeld kijken we hier zeker ook naar de tools die landelijk en provinciaal worden ontwikkeld. Als deze verder uitgewerkt zijn zullen we kijken of en op welke manier we de activiteiten willen monitoren.

Het meten van de informatie moet wel daadwerkelijk iets bijdragen aan de mogelijkheden om te sturen op de opgave en qua capaciteit behapbaar zijn. Anders weegt de meerwaarde van het meten niet op tegen de kosten.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft hier een berekening voor gemaakt, maar de details zijn niet gedeeld met de regio’s. Het PBL gaat er bij de berekening van uit dat deze ingerekende besparing in ieder geval wordt gerealiseerd, onder andere door het zuiniger worden van apparaten. De besparing die gerealiseerd wordt in het kader van de RES geen invloed heeft op de hoeveelheid op te wekken duurzame elektriciteit of warmte in ons bod richting het Rijk.

De werkgroep Besparing is voor de verdere uitwerking gestart met het opstellen van een klantreis per doelgroep. Doelgroepen zijn woningcorporaties, particuliere verhuurders, VVE’s en particulier woningen. Er is dus al een verschillende aanpak voor appartementen, rijtjes woningen en particuliere woningen (in hoofdzaak tweekappers en vrijstaande woningen).

Hierin worden stakeholders zoals woningcorporaties, energiecoöperaties, Buurtkracht en bewonersinitiatieven in betrokken.

Het is altijd verstandig om te starten met isoleren: dit is over het algemeen snel terugverdiend. Hiervoor is ook subsidie beschikbaar.

Voor de huiseigenaar is het altijd verstandig om te starten met isoleren: dit is over het algemeen erg snel terugverdiend. Hiervoor is ook subsidie beschikbaar.

Wij hebben ook in de MRE-regio de grootverbruikers in beeld. Dit zijn provinciale inrichtingen en vallen dus onder provinciaal gezag. In 2019 zijn alle provinciale vergunningen aangepast en worden de energiebesparingsactiviteiten meegenomen.

Aan het totale energieverbruik van Mobiliteit wordt in MRE 6,3 TWh verbruikt. Het trekkerschap voor de energie-opgave voor Mobiliteit ligt echter bij het Rijk en de ‘Klimaattafel mobiliteit’ en daarmee niet bij de regio.

Uitgangspunt is het in beweging brengen van de mensen. De maatregelen die men kan nemen verschillen per bouwperiode, ontwerp van de woning en in verleden gemaakte keuzes. De RES geeft dus geen technisch advies wat mogelijk is in de woning. Het kijkt naar aanpakken om mensen in beweging te krijgen en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn. De randvoorwaarden of acties kunnen verschillen bij andere typen woningen.

Warmte is een belangrijk onderdeel.

Voor 2050 moeten in de MRE-regio 350.000 huizen en 50.000 gebouwen goed geïsoleerd worden en van duurzame warmte en schone elektriciteit worden voorzien. Gemeenten hebben een regierol in deze lokale warmtetransitie. Gemeenteraden stellen daarvoor uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte (TVW) vast met plannen voor het isoleren en/of aardgasvrij maken van deze  woningen en gebouwen in de periode tot en met 2050. De TVW wordt concreet uitgewerkt in uitvoeringsplannen (op buurt, wijk, of warmtekavelniveau). In de uitvoeringsplannen besluiten gemeenten over het alternatief voor aardgas.

Naast het gemeentelijk schaalniveau is het regionale schaalniveau van belang voor het slagen van de warmtetransitie. Op het regionale niveau kunnen partijen zorgen voor een efficiënte inzet van bovenlokale bronnen, infrastructuur en het betrekken van bovenlokale stakeholders. Dit niveau wordt als onderdeel van de  RES 1.0 uitgewerkt in de Regionale Structuur Warmte (RSW).

Hoge temperatuur warmtenetten zijn vooral geschikt voor wat oudere, minder goed geïsoleerde gebouwen.

Lage temperatuur warmtenetten zijn geschikt voor goed geïsoleerde gebouwen.

Er wordt gewerkt aan een nieuwe Warmtewet waarin dit soort zaken, zoals al dan niet verplicht aansluiten op een warmtenet,  wettelijk worden geregeld. Er wordt ook gewerkt aan open warmtenetten waarop verschillende leveranciers warmte kunnen leveren.

Een heleboel. Om er enkele te noemen: aquathermie, bio-energie, restwarmte van bedrijven, zonneboilers, asfaltwarmte, waterstof en bodemenergie.

 

Ja, zonneboilers worden genoemd als duurzame warmtebron. De toepassing hiervan is wel met name lokaal van aard.

 

Met de RES bepalen 21 gemeenten, de provincie, Waterschappen en Enexis  een strategie (en herijken die periodiek) waarmee onder meer in 2050 alle gebouwen duurzaam verwarmd worden. Gemeenten maken daarvoor lokale transitievisies warmte met uitvoeringsplannen. De Regionale structuur Warmte geeft aan welke regionale bronnen beschikbaar zijn en hoe daarmee omgegaan kan worden.

Wij voorzien op dit moment dat de snelheid waarmee de woningen duurzaam verwarmd worden volgens onderstaande curve verloopt.

Dit is de reden om op regioschaal samen te gaan werken. Er zijn al een aantal gemeenten bezig en de eerste lessen worden daar geleerd. Het is zoeken naar de techniek en opslag die beste werkt (in combinatie met economische en maatschappelijke factoren). Gemeenten zijn hier druk mee bezig en komend jaar komt dit allemaal bij elkaar. Daarnaast leren wij ook van de landelijke ontwikkelingen.

Hierover zijn we nog over in discussie. Biomassa kan een goede transitiebrandstof zijn. Voor nu gebruiken we deze omdat het de beste optie is onder huidige omstandigheden, maar later willen overstappen naar andere duurzamere bronnen, wanneer die opties er zijn. We hebben het nu namelijk nodig voor warmtenetten, in b.v. de gemeente Eindhoven. Als, wat het huidige alternatief zou zijn, iedereen een warmtepomp installeert kan het elektriciteitsnet dat niet aan.

Daar wordt nog steeds onderzoek naar gedaan op landelijk niveau. We weten in Nederland vrij goed wat er in de grond gebeurt en zit, seismografisch onderzoek vindt nu plaats. Wij hebben ook breuken in de regio, het is moeilijk om daar in te boren want dat kan aardbevingen veroorzaken. Dit jaar komen daar resultaten uit. Waar meer info: SCAN onderzoek.

Men twijfelt daar over. Gaat veel over gesproken worden; want de gemeente moet daarover beslissen.

Groen gas is biogas dat opgewerkt is, met als doel dezelfde kwaliteit als aardgas te verkrijgen. Biogas komt b.v. vrij bij stortplaatsen (en wordt vaak afgevangen) of wordt geproduceerd d.m.v. vergisting van b.v. mest.

Er komen veel aspecten bij kijken. Het hangt b.v. af van of dit een collectieve of individuele ketel is. Relevante bijkomende vragen zijn, bv.: Waar haal je houtpallets vandaan?  Of snoeiafval? Wie mag daarover beslissen?

Warmte wordt in de RES op 2 niveaus aangepakt: de TVW (duurzaam verwarmen) en RSW (geothermie, biogas, waterwegen). In de RES kijken we naar de wisselwerking tussen beide niveaus. Koeling zit met name in de Transitievisie Warmte. De invulling hiervan is echter wel iets wat lokaal wordt opgepakt.

Nee, het uitgangspunt is dat bij de bestaande woningbouw passende duurzame bronnen en infrastructuur gezocht worden. Als dat niet kan, wordt gekeken of de bestaande woningbouw verduurzaamd kan worden.

Biomassa is ook benoemd als mogelijke energiebron in de RES (onder het hoofdstuk Warmte).

Gemeenten worden hier vanuit de regio bij ondersteund. Ook landelijk is veel informatie beschikbaar, bijvoorbeeld via deze link

Bodemenergie wordt ook als bron onderzocht in de RES. Zie verder ook de overige vragen onder het kopje 'Warmte'.

De landelijke aanpak geldt voor groen gas (opwaarderen van biogas naar groen gas met aardgaskwaliteit). De aanwezigheid van en mogelijke toepassing en verdeling van biogas maakt onderdeel uit van onze RES. Hierop kan dus wel op regionaal en/of lokaal niveau actie gezet worden.

Hierbij volgen we de landelijke lijn dat bij nieuwbouw gasloos bouwen verplicht is. 
Waterstof kan pas voldoende geproduceerd worden als een ruimte hoeveelheid groene stroom beschikbaar is. Er is de komende periode nog maar een beperkte hoeveelheid waterstof beschikbaar, en daarbij wordt gekeken naar sectoren waar weinig alternatieven voor waterstof beschikbaar is, zoals in de industrie.

Bij nieuwbouw is het een stuk gemakkelijker een huis gasloos te maken dan bij een bestaand huis. Er hoeft niet van alles aangepast te worden in het huis, maar al vanaf begin van de bouw kan er rekening worden gehouden met bijvoorbeeld de plaatsing van een warmtepomp.

Met de gewijzigde Gaswet is nieuwbouw zonder gasaansluiting per 1 juli 2018 de norm. In de transitievisie warmte zal vastgesteld moeten worden welke vorm van techniek toegepast gaat worden. Op basis daarvan kan de netbeheerder of andere partij infrastructuur ontwikkelen. 
 

Er wordt door gemeenten naar de lokale situatie gekeken welke warmtevraag er is en warmtebronnen daarvoor beschikbaar zijn.

Als er meerdere gemeenten gebruik willen maken van een warmtebron, dan kunnen we daar regionaal afspraken over maken. Compensatieregelingen horen daar vooralsnog niet bij.

Ja, er wordt gekeken of dat medium efficiënt toegepast wordt en of dit de optimale toepassing is.

De mogelijke risico’s van de toepassing van geothermie liggen met name in mogelijke effecten op het grondwater door verontreiniging door boorfouten, vanwege de aanwezigheid van oude olie- en gasputten of door  thermische effecten.

CE Delft berekent een gemiddelde elektrificatie van 25% voor Nederland. (CE Delft, een klimaat-neutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving – update 2016)

Het scenario waarin iedereen een warmtepomp heeft zal een elektrificatie van rond 40% van de warmtevraag vereisen. We hebben het gemiddelde genomen van deze 2 cijfers omdat we zien dat warmtenetten voor een groot deel van de regio niet haalbaar zal zijn.

In ons verslag staan de percentages van elektrificatie per warmtebron.

Techniek

% Elektrisch

Thermische energie uit oppervlaktewater

36

LT aardwarmte

27

Diepe geothermie

14

Biomassa

17

LT restwarmte uit industrie

41

HT restwarmte uit industrie

7

WKO

47

Biogas

0


Voor de toekomstige warmtevoorziening zal gebruik worden gemaakt van verschillende bronnen. Voor de benutting van deze bronnen is in de meeste gevallen elektriciteit nodig. Dit levert op RES niveau een extra elektriciteitsvraag op, die afhankelijk is van de keuzes voor warmtebronnen (zie tabel 3.3). Hoe groot de extra elektriciteitsvraag zal zijn is niet op voorhand bekend. Deze keuze wordt inzichtelijk gemaakt in de Transitievisies Warmte en uiteindelijk zal in de Wijkuitvoeringsplannen de definitieve keuze voor een warmtebron gemaakt worden.

De energetische potentie en de mogelijkheden van het gebruik van bodemwarmte (ondiep en diep) wordt meegenomen. De eisen die daarbij gelden, onder meer ter bescherming van de omgeving en het milieu, zijn meestal op landelijk en provinciaal niveau vastgesteld. Toepassing van die systemen wordt via vergunningstelsels gereguleerd.

Jazeker. Er zijn nog wel veel vragen over de potentie van geothermie in onze regio. Verschillende onderzoeken hiernaar lopen nog (van Rijk en Provincies). We hopen in 2021 meer zicht te hebben op de mogelijkheden.

Bedrijfsdaken vanaf 500 m2 worden meegenomen in de no-regret maatregelen. Deze  grootte wordt aangehouden, omdat de bijdrage van de no-regret maatregelen valt onder grootschalige opwek. Bedrijven met kleinere daken worden ook gevraagd bij te dragen, maar dat valt niet onder de no-regret maatregelen.

Ja, het (bredere) milieuthema ‘netinpassing’ is ook onderdeel van de planMER. Hierin kan bijvoorbeeld meegewogen worden in hoeverre ‘’netstations’’ (daar waar de elektriciteit die zonne- en windparken opwekken op het net moeten worden gekoppeld) in de buurt aanwezig zijn. De ‘nevenschade’ waar u naar verwijst valt buiten de reikwijdte van dit planMER.

We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen (dus zonnepanelen op grote daken, boven niet overdekte parkeerterreinen en zonnevelden op ‘restruimten’ als gebieden bij vliegvelden of bermen en taluds bij snelwegen) nog circa 0,2 TWh gerealiseerd kan worden. Een deel van de projecten die te scharen zijn onder no-regret maatregelen is of al gerealiseerd of zit in de pijplijn. Het potentieel aan opwek op grote daken besloeg in onze regio ruim 0,7 TWh.  

Ja, grootschalige opwekking op bestaande bebouwing/daken wordt als optie meegenomen; het betreft binnen de zoekgebieden binnen de categorie ‘no regret’. We schatten in dat met de ‘no regret’-maatregelen nu nog 0,2 TWh gerealiseerd kan worden. Een deel van de projecten die te scharen zijn onder no-regret maatregelen is of al gerealiseerd of zit in de pijplijn.

Volledige vraag:
In de RES wordt rekening gehouden met 0,28 TWh die gaat worden opgewekt in situaties volgens de zonneladder stap 1 t/m 3. (De 'no-regret' maatregelen). Kan dit niet meer, hoe is deze 0,28 TWh bepaald?  Volgens ZLTO is er namelijk veel meer potentieel dan deze 0,28 TWh.

  • Hoeveel potentieel (m2 'grote daken') is er aanwezig in de MRE regio?
  • Wat zijn de beperkingen om dit potentieel beter te benutten?
  • Hoeveel panelen moeten er op een dak geplaatst worden om dit als grootschalige opwek mee te kunnen tellen?

Antwoord:
Er wordt vanuit de RES gekeken naar de afmetingen van het dak. Een dak wordt geschikt bevonden voor grootschalige opwek bij een oppervlakte groter dan 500m2. Het gaat daarom vrijwel altijd om grote bedrijfsdaken, waaronder agrarische daken waar de ZLTO in meer detail naar heeft gekeken.

De grootste bijdrage aan het nemen van de no-regret maatregelen komt van grootschalige daken, maar ook PV-systemen langs de snelweg, taluds of op stroken langs (militaire) vliegvelden worden meegeteld. Voor de realisatie hiervan hebben wij contact met Defensie en Rijkswaterstaat, gezien zij zeggenschap hebben over deze gronden.

Om de potentiële opwek door PV-systemen op grote, schuine en platte daken binnen onze regio te berekenen hebben we een aantal aannames moeten doen betreffende de geschiktheid van daken. Zo kwamen wij op een potentiële opwek van ruim 0,7 TWh bij realisatie van dit deel van de no-regret maatregelen. Een deel hiervan is al gerealiseerd of zit in de pijplijn. We kunnen in totaal nog 0,28 TWh opwekken door het nemen van no-regret maatregelen.

Daarnaast hebben wij geconstateerd dat er veel belemmeringen zijn voor het volleggen van grote bedrijfsdaken met PV-systemen. Daar hebben wij bijlage 4.1, van de Concept RES 1.0 aan gewijd. In deze bijlage staan ook een aantal oplossingsrichtingen voor het wegnemen van deze belemmeringen. Met o.a. deze oplossingsrichtingen gaan we aan de slag in de uitvoeringsfase.

Enexis heeft aandeelhouders, gemeenten provincies etc., daar zal financiering vandaan moeten komen. Uiteindelijk komt dat op een manier wel bij de burger terecht. Als je het zelf doet (als regio) helemaal. Dan is collectief, misschien via belastingen, een betere optie.

Er zijn geen doorrekeningen gemaakt wat de impact van de energietansitie is op de energierekening. Ook als de regio zelf opwekt zullen er kosten blijven omdat er vaak een aansluiting noodzakelijk is en dat elektriciteit getransporteerd moet worden.

Tariefregulering: waarom en hoe | ACM.nl
Tarieven - Netbeheer Nederland

Enexis Holding geeft opnieuw een groene obligatie uit - Enexis (enexisgroep.nl)

Allereerst kunnen gemeenten bijdragen door in te zetten op de no-regret maatregelen. Alle gemeenten hebben grootschalige daken die voorzien kunnen worden van zonnepanelen. Ook kunnen in elke gemeente in onze regio kansen liggen voor energieopwekking ten dienste van andere opgaven en doelen. Vanwege het detailniveau waarop naar inpassing van deze categorie moet worden gekeken, hebben we de ruimtelijke visualisatie op regionaal niveau in de concept-RES 1.0 achterwege gelaten. Gemeenten kunnen via lokaal beleid invulling geven aan deze categorie. Bovendien kunnen gemeenten naast duurzame opwek bijdragen op de andere thema’s in de RES, zoals besparing en duurzame warmtebronnen.

Dat klopt. Er is al rekening gehouden met een groei van kleinschalige opwek in het vaststellen van de CO2 doelstellingen.

Dit is geen vraagstuk waar we naar kijken als onderdeel van onze Regionale Energie Strategie.

De zonneladder is opgenomen in de RES en is een belangrijk uitgangspunt bij grootschalige opwek en wordt dus toegepast. Deze bestaat uit maatregelen in de volgorde van wat wenselijk is. Daarom is de eerste trede “zon op dak”. De opgave is echter zo groot dat alleen “zon op dak” niet voldoende is. We kunnen en moeten daarom ook volgende treden uit de zonnelader toepassen, echter sturen we in eerste instantie aan op “zon op dak”.

Windturbines kunnen al voor 85% tot 90% worden hergebruikt. De meeste onderdelen van een windturbine - de fundering, toren, onderdelen van de versnellingsbak en generator - zijn recyclebaar en worden als zodanig behandeld. Windturbinebladen (de wieken) vormen een specifieke uitdaging. Windturbinebladen zijn gemaakt van composietmaterialen die de prestaties van de windturbine verbeteren door lichtere en langere bladen mogelijk te maken. De complexiteit van dit composietmateriaal vereist specifieke recyclingprocessen.

Op dit moment is de belangrijkste technologie voor het recyclen van composietafval via co-verwerking van cement. Daarbij worden grondstoffen voor de productie van cement gedeeltelijk vervangen door de glasvezels en vulstoffen in de composiet. De organische fractie vervangt steenkool als brandstof voor de cementproductie. Dit vermindert ook de uitstoot van CO2 bij het maken van cement.

Toch zoekt de windsector naar alternatieve mogelijkheden om het materiaal van de windturbinebladen te hergebruiken. De windindustrie werkt samen met de chemische en samenstellingsindustrieën om effectieve manieren te vinden om dit te doen. De eerste generatie windturbines raken nu aan het einde van hun levensduur en worden vervangen door moderne windturbines. Deze 14.000 windturbinebladen worden de komende vijf jaar  in Europa vervangen. In januari 2020 kondigde windturbinefabrikant Vestas zijn plannen aan voor afvalvrije windturbines.

Bron: Rijksoverheid (windopzee.nl)

Windturbines kunnen al voor 85% tot 90% worden hergebruikt. De meeste onderdelen van een windturbine - de fundering, toren, onderdelen van de versnellingsbak en generator - zijn recyclebaar en worden als zodanig behandeld. Windturbinebladen (de wieken) vormen een specifieke uitdaging. Windturbinebladen zijn gemaakt van composietmaterialen die de prestaties van de windturbine verbeteren door lichtere en langere bladen mogelijk te maken. De complexiteit van dit composietmateriaal vereist specifieke recyclingprocessen.

Op dit moment is de belangrijkste technologie voor het recyclen van composietafval via co-verwerking van cement. Daarbij worden grondstoffen voor de productie van cement gedeeltelijk vervangen door de glasvezels en vulstoffen in de composiet. De organische fractie vervangt steenkool als brandstof voor de cementproductie. Dit vermindert ook de uitstoot van CO2 bij het maken van cement.

Toch zoekt de windsector naar alternatieve mogelijkheden om het materiaal van de windturbinebladen te hergebruiken. De windindustrie werkt samen met de chemische en samenstellingsindustrieën om effectieve manieren te vinden om dit te doen. De eerste generatie windturbines raken nu aan het einde van hun levensduur en worden vervangen door moderne windturbines. Deze 14.000 windturbinebladen worden de komende vijf jaar  in Europa vervangen. In januari 2020 kondigde windturbinefabrikant Vestas zijn plannen aan voor afvalvrije windturbines.

Bron: Rijksoverheid (windopzee.nl)

Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat plannen en besluiten die activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten mogelijk maken, de m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure wordt doorlopen. Voor de RES 1.0 hebben we een planMER uitgevoerd, waarin de beoordeling van de gevolgen op het milieu van windturbines en zonnevelden in de RES op hoofdlijnen worden beoordeeld. Voordat een windturbinepark gerealiseerd wordt moet een project-m.e.r. worden uitgevoerd die specifiek en gedetailleerd ingaat op milieueffecten op de locatie waar een ontwikkeling geprojecteerd is. Een van de thema’s die binnen een project-m.e.r. onderzocht kan worden is gezondheid. In het planMER RES-MRE is dit aspect op hoofdlijnen beoordeeld. In een project-m.e.r. kan dit in het specifieke plangebied beoordeeld worden. Om te helpen bij het maken van keuzes beschrijft het MER bovendien alternatieven, die op verschillende ontwerpprincipes gebaseerd zijn. Hierbij kan ook een nulalternatief geformuleerd worden die de situatie beschrijft indien het project niet gerealiseerd wordt.

De zoekgebieden in concept-RES zijn in regionaal verband tot stand gekomen, waarbij is gekeken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwek te realiseren. In de periode tot 1 juli 2021 krijgen gemeenteraden de gelegenheid om hun reactie op de concept RES 1.0 te geven. In deze reactie kunnen de gemeenten tevens aangeven hoe zij tegen de aangewezen zoekgebieden regionaal en in hun gemeente aankijken. Daarnaast loopt de inspraakprocedure voor inwoners op de planMER (rond mei – juni 2021). Met de input van de raden, stakeholders, de uitkomsten van de planMER en de netinpactrapportage wordt tot een verdere selectie van de zoekgebieden gekomen voor grootschalige duurzame opwek van energie.

Het CBS en het PBL hebben landelijk berekeningen gemaakt om tot de opgave van 35TWh te komen. Het bod van 2 TWh is onderdeel van de landelijke opgave. Het elektriciteitsverbruik zal landelijk en regionaal groeien, doordat de warmte- en brandstofvoorziening van mix gaat veranderen. In deze mix zal elektriciteit een rol spelen, maar onduidelijk is nog hoeveel. Voor de warmteopgave verwachten we dat circa 1/3 woningen in deze regio over zal gaan naar een elektrische warmtepomp. In de transitievisies warmte (eind 2021) zal per gemeente een eerste inschatting gemaakt worden of deze verwachting klopt. Deze schattingen zijn echter nog onvoldoende zeker om  vast te stellen dat dit ook de oplossing gaat zijn. Voor investeringen in het netwerk is ook veel meer zekerheid nodig dat een gebied ook daadwerkelijk gebruik gaat maken van elektriciteit als warmtebron. Voor de uitwerking van onze regionale plannen is de onzekerheidsmarge nog dermate groot, dat we nog geen betrouwbare inschatting kunnen maken over het elektriciteitsgebruik in 2030 en 2050. In de komende jaren zullen de beleidskeuzes van de gemeente een steeds beter beeld geven in hoeverre elektriciteit een oplossing gaat zijn voor duurzame warmte. Dan kunnen we ook beter inschatten wat de daadwerkelijke groei gaat zijn van het elektriciteitsgebruik.

De communicatielijnen naar bewoners lopen vooral via de gemeenten zelf, omdat gemeenten dichter bij de bewoners staan dan de regionale samenwerking. Op regionale schaal zorgen we voor informatievoorziening, door middel van webinars, internetconsultaties en kennissessies. Mensen die meer informatie over het zelf leggen van zonnepanelen op hun dak willen, kunnen daarvoor het beste contact opnemen met hun gemeente of de lokale energieloketten.

In het kader van de RES onderzoeken we waar en hoe we het beste duurzame elektriciteit, zoals wind- en zonne-energie kunnen opwekken. Daarbij maken we optimaal gebruik van de beschikbare ruimte en het gezamenlijk elektriciteitsnetwerk. Het uitgangspunt is om de ruimtelijke kwaliteit van onze regio te behouden. De besluiten daarover worden lokaal genomen. Het is niet de bedoeling dat gemeenten nu niets gaan doen in afwachting op de RES 1.0. Wel is het belangrijk om continue de afstemming te houden met de regionale ontwikkelingen. Gemeenten hebben natuurlijk geen identiek beleid. Zo spelen er in landelijke gemeenten andere belangen en ambities dan in stedelijke gemeenten. Ook de mogelijkheden ten aanzien van het realiseren van de energietransitie verschillen per gemeente. De overeenkomst is dat vrijwel iedere gemeente de ambitie koestert om energieneutraal te worden. Dit houdt in dat alle energie uit duurzame / hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Een klein aantal gemeenten formuleert dit iets anders, namelijk in termen van ‘klimaatneutraal’. Dit betekent dat bij het opwekken van energie geen broeikasgassen worden uitgestoten. De ambities ten aanzien van tijdsbestek waarin deze doelstellingen worden verwezenlijkt, lopen ook uiteen. Sommige gemeenten hebben de ambitie om dit in 2025 te realiseren, terwijl andere gemeenten dit voor 2050 willen.

Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, waaronder alle Natura 2000-gebieden) worden uitgesloten voor grootschalige opwek. Er is een kleine uitzonderingsmogelijkheid voor windparken langs grootschalige infrastructuur:

als deze enkel te realiseren zijn wanneer zij voor een klein gedeelte in Natuur Netwerk Brabant staan is maatwerk mogelijk.

Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, waaronder alle Natura 2000-gebieden) worden uitgesloten voor grootschalige opwek. Er is een kleine uitzonderingsmogelijkheid voor windparken langs grootschalige infrastructuur:

als deze enkel te realiseren zijn wanneer zij voor een klein gedeelte in Natuur Netwerk Brabant staan is maatwerk mogelijk.

De focus in de RES ligt op de opgaven van de klimaattafel Gebouwde omgeving en Elektriciteit. Voor de industrie is er eveneens een klimaattafel. Doelstelling is dat In 2050 de industrie circulair is en vrijwel geen broeikasgas meer uitstoot.

Dit is het beste te illustreren aan de hand van een voorbeeld (zie onderstaande tabel). 

BRON: Vakbladwarmtepompen.nl

De opwek van duurzame elektriciteit, in het voorbeeld een windpark zonder aftoppen, levert 100% efficiency (geen verlies). Vervolgens worden de elektronen getransporteerd per kabel naar land, bij dit proces treedt een verlies op van 2%. Daarna vindt de waterstof productie middels water-elektrolyse aan land plaats, wat tot een verlies van ongeveer 27% leidt. Om de waterstof te comprimeren treedt een verlies op van ongeveer 7%. Het transport van H2 moleculen leidt tot een verlies van 2% en tot slot treedt er bij het gebruik van een waterstof cv-ketel in de woning nog een verlies van 15% op. Opgeteld is het verlies van bron naar eindgebruiker in het voorbeeld 53%.

We zoeken in de regio naar mogelijkheden voor windturbines en zonnepanelen in combinatie met andere functies. Niet alleen grootschalige zonnedaken staan hoger op de zonneladder, maar ook een combinatie van zonnepanelen boven parkeerplaatsen. Er worden in de regio ook onderzoeken uitgevoerd voor concrete locaties, om te beoordelen of zonnepanelen daar boven parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Voor kleine windturbines is het echter wat complexer. Kleine windturbines leveren in de regio vaak onvoldoende energie, om de turbine rendabel te laten zijn en om de energie nodig voor productie te compenseren.

Deze specifieke oplossing valt buiten het detailniveau van de RES en het MER, maar daar waar lokale wensen zijn is hier ruimte voor. We gebruiken de kennis uit de regio om middels innovaties nieuwe oplossingen mogelijk te maken.

Dit is een mogelijkheid. Gemeenten kunnen zelf een zonneweide ontwikkelen en exploiteren.

Voor de opwek van duurzame energie zoeken we in de regio steeds naar nieuwe en meer efficiënte toepassingen en innovaties. Het ontwikkelen van hoogbouw met nul-op-de-meter is lastiger dan bij grondgebonden woningen. Per wooneenheid heb je namelijk minder dakoppervlakte voor het plaatsen van zonnepanelen. Om de benodigde oppervlakte te vergaren wordt gekeken naar de gevel van het complex. De in 2018 opgeleverde appartementen van “De Willem” en “De Zwijger” betreft de eerste vijflaags nul-op-de-meter appartementencomplexen in Nederland. Als regio zijn we trots dat dit in onze regio is gerealiseerd en zullen we verder bouwen op de kennis en ervaring, die is opgedaan bij dergelijke projecten.

Op basis van het energieverbruik en het aantal inwoners mag het Rijk een aandeel van ongeveer 1,7 TWh van de Metropoolregio Eindhoven (MRE) verwachten in de landelijke opgave van 35 TWh. Het bod van de MRE in de concept-RES is 2,0 TWh. Dit is realistisch als we kijken naar de draagkracht van het landschap en de initiatieven die al gerealiseerd en gepland zijn. Met die extra 0,3 TWh laten we ook zien dat we als regio ambitie hebben en dat we de verantwoordelijk nemen voor de extra elektriciteitsvraag die op ons afkomt. Denk daarbij aan zaken als forse groei van elektrisch vervoer, de woningbouwopgave van de regio en Eindhoven in het bijzonder (nieuwbouw, dus alles gasloos) en elektrificatie van de warmtevraag.  

In de RES 1.0 wordt het aftoppen (aansluiten op bijv. 70% van het productievermogen) benoemd als maatregel voor systeemefficiëntie. Dit klinkt gek, omdat slechts 70% van het totale productievermogen (100%) wordt gebruikt. Dat zit zo: Op het moment dat je het volledige productievermogen gebruikt, betekent dit dat producenten van duurzame energie, altijd, ook tijdens een piek in de opwek al hun energie kunnen terugleveren aan het net. De hoogste pieken, op erg zonnige en/of winderige dagen, treden doorgaans slechts een handvol keren per jaar op. Dat betekent dat de capaciteit van het elektriciteitsnet gedurende de rest van het jaar niet volledig wordt gebruikt. Door het aftoppen van deze hoogste pieken, naar bijvoorbeeld 70% kan het elektriciteitsnet veel efficiënter gebruikt worden. Je mist jaarlijks dat handjevol keren dat er een pieklevering ontstaat (enkele procenten van de jaarlijkse energieproductie), maar daardoor kan het net naar verwachting tot 30% meer capaciteit aan duurzame opwekinstallaties aan. Het aftoppen heeft dus meer te maken met het grillige aanbod van zon- en windenergie (piekmomenten), dan met de grote van de zonnevelden of de hoeveelheid windmolens. 

De RES is een strategische verkenning. O.a. op basis van de resultaten uit het planMER komen we in de RES 1.0 tot een verdere selectie in de zoekgebieden in de RES 1.0. Na vaststelling van de RES 1.0 door de gemeenteraden worden de aangewezen gebieden verankerd in het omgevingsbeleid van de gemeenten, provincies en waterschappen. De energietransitie is maar één van de vele opgaven die ruimte vraagt in de leefomgeving. De integrale afweging van duurzaamheid met opgaven als de woningbouwopgave, klimaat, gezondheid of ontwikkeling van buitengebieden moet in het omgevingsbeleid worden gemaakt. Zo wordt de invulling van de zoekgebieden steeds concreter. Om uiteindelijk uitgevoerd te kunnen worden, is het nodig de projecten en plannen voor duurzame opwek vast te leggen in beleid en regels voor de leefomgeving. Op basis hiervan verleent de gemeente omgevingsvergunningen. 

Voor gegevens rondom energiegebruik gaan we uit van de informatie die is opgenomen in de landelijke Klimaatmonitor. De Klimaatmonitor is een monitoringportaal van de Rijksoverheid, dat gegevens voor de monitoring van lokaal en regionaal klimaat- en energiebeleid presenteert. Met deze gegevens ontstaat per gemeente, regio en provincie inzicht in de meerjarige trends van CO2-uitstoot, energieverbruik en hernieuwbare energie. Relevante ontwikkelingen worden gevolgd en meegenomen in de Klimaatmonitor, zo ook voor de sector Landbouw, bosbouw en visserij. 

De Metropoolregio Eindhoven heeft ervoor gekozen om de milieueffecten van de zoekgebieden grondig te laten onderzoeken via een planMER. In het PlanMER wordt er enerzijds gekeken naar de hoeveelheid energie die duurzaam kan worden opgewekt en anderzijds wat de gevolgen hiervan zijn voor landschap, natuur en leefomgeving. Daarnaast bepaalt Enexis de impact van de plannen op de energie-infrastructuur in een Netimpactrapportage voor de regio. Het RES bod vertaalt zich dus uiteindelijk naar de investeringen in het elektriciteitsnet die Enexis en TenneT moeten doen om de duurzame opwek aan te sluiten.

In de Netimpactrapportage van Enexis wordt inzicht gegeven in de maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag en de benodigde tijd in de uitvoering van de regionale energietransitie. Door in te zetten op systeemefficiëntie kunnen de maatschappelijke kosten worden beperkt. Enexis geeft adviezen over het verhogen van de systeemefficiëntie. Zo worden grote wind- en zonneparken, clustering van opweklocaties en een groter aandeel windenergie door de netbeheerder gezien als gunstige ontwikkelingen die helpen de maatschappelijke kosten te drukken.

Op basis van de input vanuit het PlanMER, de Netimpactrapportage van Enexis en de input vanuit gemeenteraden en stakeholders wordt toegewerkt naar een verdere selectie in de zoekgebieden in de RES 1.0. De adviezen ten aanzien van de systeemefficiëntie worden dus meegenomen in de keuzes voor de zoekgebieden voor wind en zon die in de RES 1.0 worden opgenomen. Systeemefficiëntie is een onderdeel van het afwegingskader dat daarnaast bestaat uit de onderdelen kwantiteit opwek, ruimtelijke inpassing en maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. De keuzes die we maken, analyseren en toetsen we op de genoemde vier onderdelen.

Op voorhand is daarom de verhouding wind-zon voor de Metropoolregio Eindhoven niet kwantitatief aan te geven.

We streven ook naar zoveel mogelijk zon op dak. Die opwek is echter niet voldoende. De landelijke opdracht voor opwek van 35 TWh houdt al rekening met veel zon op dak. De landelijke opgave van 35 TWh komt daar dus bovenop.

Ja, dit is onderdeel van de no regret maatregelen en wordt samen met Rijkswaterstaat opgepakt.

Naar productie, toepassing en gebruik van biogas wordt gekeken vanuit de werkgroep warmte, omdat de toepassing warmte gerelateerd is.

Dit is nu wellicht nog niet goed opgenomen in alle beleidstukken van alle gemeenten, maar het heeft wel met elkaar te maken. De RES landt in het gemeentelijk beleid in alle regionale gemeenten.

Het gaat eigenlijk andersom. Wij maken een strategie met RES, dat betekent dat in sommige gebieden mogelijkheden komen voor zonneweides en in andere gebieden niet. Dat maakt de beperking. We monitoren wat er gerealiseerd wordt.

Ja, dat is gedaan. Conform de zonneladder is eerst geïnventariseerd hoeveel zon op dak mogelijk is. Dat hebben we ingebouwd in ons RES bod, richting het Rijk. De helft van het bod bestaat uit zon op dak. Dat is ook tegelijk het maximum wat we op dak kunnen realiseren.

Daar wordt naar gekeken, ook in het Plan MER wordt dit opgenomen.

Daar gaan we naar toe werken, nadat het plan MER afgerond is. Dus aan het eind van dit jaar komt er meer duidelijkheid.

In principe zijn de gebieden groot genoeg en daarom is er ruimte voor weging. We weten natuurlijk pas aan het eind of het voldoende was.

Ze worden nu niet allemaal helemaal ingevuld. Dit is o.a. afhankelijk van landschap en mogelijkheden.

De verschillende onderdelen van een zonnepaneel zijn grotendeels recyclebaar en recyclen hiervan gebeurt ook. Er is wel over nagedacht wat dat betreft, maar er zijn geen afspraken hierover binnen de MRE.

Vooral op daken maar ook dus taluds en langs snelwegen (het gaat over de eerste drie treden van de zonneladder).

Er zijn een paar redenen voor: we kunnen niet alles opwekken door “zon op dak”, dus zijn er nog zonneweides nodig. We geven echter wel zoveel mogelijk prioriteit aan “zon op dak”, zoals door de lader van Faber ingegeven.

Waarom liggen daken nog niet allemaal vol? Er zijn allerlei belemmeringen, zoals b.v. een dakconstructie waarvoor zonnepanelen te zwaar zijn of een verkeerde stand van het dak.

Voor zon zijn er verschillende treden van de ladder; eerste trede is zon op dak. Tweede; braakliggende gronden/pauzelandschappen.

0.28 TWh extra opwekken uit no regret. We kijken dus eerst naar no regret.

Er wordt ook naar natuurgebieden gekeken, als sprake is van ligging direct naast infrastructuur (spoor – en snelwegen). Er zijn overigens bijna geen van dit soort locaties in onze regio. Bufferzones rond natuurgebieden komen ook in aanmerking.

Wat betreft zonnevelden op daken, klopt dit. Dit is echter wel afhankelijk van de wil van deze bedrijven. Dit kan met de invoering van nieuwe regelgeving ook bij industriële complexen vereist worden, maar bij andere bedrijven nog niet. Er wordt hier met VNO-NCW ook aan gewerkt, en met de lokale bedrijvenverenigingen. Windmolens mogen niet te dicht bij stedelijk gebied worden geplaatst en komen hierdoor zelden op bedrijventerreinen terecht.

Helaas wordt grootverbruik van energie door bedrijven nog niet beboet - het is zelfs zo dat grootverbruik gestimuleerd wordt doordat de prijs van elektriciteit verlaagd wordt als er meer gebruikt wordt. Dit is een landelijk-politieke keuze. Deze bedrijven worden aan de andere kant wel weer aangespoord om te besparen volgens de energie-informatieplicht waar wel sprake is van boetes als niet wordt voldaan aan de besparingseisen. Vaak vallen deze bedrijven onder het Europese Energie Verordening (EED) - die worden door de Rijksdienst voor Ondernemerschap (RVO) gecontroleerd.

Schaliegas is erg controversieel. Wordt niet meteen naar gekeken, zeker niet als we nog voldoende aardgas hebben om af te bouwen naar hernieuwbare bronnen.

Er is geen verplichting wat betreft de grootte van een windmolen. Dit hangt af van de locatie van de windmolen. Er is wel een referentie nodig om inzicht te krijgen in de milieugevolgen.

Binnen de MRE-regio is alles relatief dichtbij. Zeker als je dit vergelijkt met waar op dit moment onze energie wordt opgewekt. Uiteindelijk moeten we naar een slim systeem waarbij we de afstand tussen vraag en opwek zo klein mogelijk maken, binnen de beschikbare oplossingen.

De verschillende vormen van het opwekken van elektriciteit worden afgewogen naar; wat levert het op maar ook naar uitstraling en milieueffecten. De tweede helft van dit jaar kan iedereen daar kennis van nemen en een mening over vormen.

Bijvoorbeeld daar waar tijdelijk niet duidelijk is wat ermee gaat gebeuren, zoals een voormalige stortplaats.

De daken van grote gebouwen kunnen vaak worden benut voor zonnepanelen. Dit is op dit moment een beetje problematisch vanwege de congestie op het elektriciteitsnet.

Er zijn proeven om dergelijke toepassingen van zonneparken te onderzoeken. We houden dergelijke ontwikkelingen in de gaten. We hebben in de RES bovendien nadrukkelijk aandacht voor het concept van meervoudig ruimtegebruik en innovatie. Op het moment dat zonneparken gerealiseerd worden moet onderzocht worden wat de beste inpassing van het gebied is en op welke wijze aandacht besteed wordt aan bijvoorbeeld meervoudig ruimtegebruik.

Dit is een terechte constatering. In de RES 1.0 wordt nog geen keuze gemaakt waar welke vorm van duurzame energieopwekking gerealiseerd wordt. Uitgangspunt is om een zorgvuldige afweging te maken voor windturbineparken en zonneparken. Denk aan maximaal gebruik maken van de zonneladder en te zoeken naar de no regret-maatregelen. Uiteindelijk zal een combinatie van vormen als windturbineparken, zonnevelden en grootschalige zonnedaken nodig zijn.

Voor vliegverkeer gelden diverse beperkingsvlakken. Daarbij worden enkel de zogenaamde funnels als harde beperking opgenomen omdat de bijbehorende bouwhoogtebeperking zorgt voor het uitsluiten van de bouw van windturbines. In de toetsingsvlakken zal eerst toestemming verkregen moeten worden om in het betreffende gebied windturbines te bouwen. In de zoekgebieden die in de zogenaamde funnels liggen zullen geen windturbines gerealiseerd kunnen worden, maar is enkel potentie voor zonneparken.

Uitgangspunt is dat we kijken waar in de regio het meest logisch is om grootschalige duurzame energie-opwekking te realiseren. De draagkracht van het landschap en de landschappelijke inpassing en de kansen in relatie tot andere gebiedsopgaven is hierbij leidend. We hebben geen verdeling afgesproken over de gemeenten.

Op dit moment is het niet verplicht om zonnepanelen op daken te plaatsen. We onderzoeken de mogelijkheden om zon op dak te stimuleren en doelgroepen aan te zetten/te bewegen tot besparing en duurzame opwek van energie.

Dit is 11.000.000 tot 15.000.000 m2 (netto dakoppervlak).

Kleinschalig zon-op-dak installaties met een vermogen van 15 kWp en minder, worden in het Klimaatakkoord niet meegeteld voor het 35 TWh doel. Met de autonome groei van kleinschalig zon op dak tot ongeveer 7 TWh, is al rekening gehouden in de CO2-doelstellingen. We onderzoeken de mogelijkheden om zon op dak te stimuleren en bewoners aan te zetten/te bewegen tot besparing en duurzame opwek van energie (hoofdstuk besparing).

Hier hebben we in onze ruimtelijke analyse nadrukkelijk aandacht voor.

We zien in de SDE+ beschikkingen veel beschikkingen voor zon op bedrijfsdaken. Grootschalige opwek op (agrarische) bedrijfsdaken bedraagt zo’n 25 % bij aan het totale bod in de RES 1.0.

In het kader van de RES doorlopen we een planMER-traject, waarin we zorgvuldig naar de zoekgebieden kijken die uit de eerste analyse naar voren zijn gekomen. We doen onderzoek naar de milieueffecten van de keuze van bijvoorbeeld, wind- en zonne-energie in de gebieden. Aan de PlanMER is ook een inspraakprocedure gekoppeld.

In het Klimaatakkoord is het doel opgenomen dat in 2030 de CO2-uitstoot met 49% is afgenomen ten opzichte van de uitstoot in 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% verminderd zijn. Voor de elektriciteitssector is hiervoor het doel gesteld dat de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen wordt opgeschaald naar 70% van de totale opwek, ofwel 84 TWh in 2030. Van de 84 TWh aan grootschalige hernieuwbare elektriciteitsproductie in 2030 wordt 49 TWh gerealiseerd door een uitbreiding van productie van windenergie op zee. Er is dus nog 35 TWh aan grootschalige hernieuwbare elektriciteitsproductie op land nodig.

Uitgangspunt voor de RES is de opwekking van energie via zon- en windparken: hiermee zijn de klimaatdoelen haalbaar. Kernenergie is geen oplossing voor de korte termijn. Voor nieuwe concepten van kernenergie (zoals op basis van thorium als splijtstof in plaats van het gebruikelijke uranium) is nog veel onderzoek nodig. Thoriumreactoren zijn nog nergens commercieel gerealiseerd; volgens Nederlandse deskundigen kan dat nog wel enkele decennia duren. Het is dus praktisch onmogelijk om voor 2030 commerciële thoriumreactoren in bedrijf te hebben, en zelfs 2050 lijkt lastig haalbaar. Zie ook de factsheet Elektriciteit.

Lange tijd was het niet mogelijk om zonnepanelen te plaatsen op rijksmonumenten. Inmiddels is plaatsing van zonnepanelen, onder voorwaarden, mogelijk op een groot aantal rijksmonumenten.De panelen mogen nu op de daken van rijksmonumenten geplaatst worden, mits deze het aanzien (beeld) van het monument niet ernstig verstoren.

Bij het maken van plannen voor het plaatsen van windturbines in Nederland spelen geluidhinder en andere vormen van hinder voor omwonenden een belangrijke rol in het gesprek daarover.

Geluidbeleid in Nederland
Om nadelige gezondheidseffecten als gevolg van geluid te voorkomen zijn in Nederland normen opgesteld die een bepaalde kwaliteit van de leefomgeving waarborgen. Tegelijkertijd wordt er een zekere mate van hinder geaccepteerd en geven deze normen aan welke mate van hinder acceptabel is. Lees op de website van RIVM meer over het geluidbeleid in Nederland. Het RIVM schreef in juni 2020 de publicatie ‘Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018): Het doel heiligt de middelen’ over de mogelijkheden om het huidige geluidbeleid in Nederland te verbeteren op basis van nieuwe inzichten van de WHO over de gezondheidseffecten van geluid.

Geluid van windturbines
Het RIVM publiceerde in oktober 2020 een rapport (in het Engels, vertaling wordt binnenkort verwacht) over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden, in samenwerking met Mundonovo sound research. Voor dit rapport is grondig gekeken naar de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbinegeluid op hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook is bekeken wat bekend is over hinder door het zicht op windturbines en andere factoren die niet met geluid te maken hebben, zoals het lokale besluitvormingsproces.

Uit de studie blijkt dat er hinder optreedt voor omwonenden als gevolg van het geluid van de windturbines: hoe sterker het geluid (in dB), hoe groter de hinder ervan. ‘Laagfrequent geluid’ (lage tonen/bromtonen) zorgt daarbij niet voor extra hinder in vergelijking met ‘gewoon’ geluid, zo bleek uit de literatuur.

Voor andere gezondheidseffecten zoals slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de hinder.

Ten slotte laat de literatuur zien dat omwonenden minder hinder ondervinden van de windturbines als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan, er (financieel) voordeel bij hebben of controle kunnen hebben (zoals een knop om de turbine stil te zetten).

Daar houden we zeker rekening mee. Nu al bij planvorming, maar ook later bij de realisatie van een windturbinepark. De Metropoolregio Eindhoven stelt namelijk een milieueffectrapport (planMER) op ter onderbouwing van de zoekgebieden voor grootschalige zonnevelden en windturbines. Het planMER helpt om alle (ruimtelijke) belangen en claims zichtbaar te maken en onderling af te wegen, wat de regio helpt om zorgvuldige locatiekeuzes te maken voor windturbines. Een belangrijk onderwerp in het planMER is ecologie, waar ook soortenbescherming deel van uitmaakt. Hierbij onderzoeken we drie verschillende beschermde soortgroepen: effect op broedvogels, effect op wintervogels en effect op overige beschermde soorten.

Bovendien kunnen zogeheten mitigerende maatregelen getroffen worden. Mitigerend betekent het (gedeeltelijk) voorkomen of verzachten van negatieve effecten. De eerder genoemde zorgvuldige locatiekeuze is daar aan de voorkant een voorbeeld van. En op het moment dat er een concreet windinitiatief is moet er nog een gedetailleerde project-m.e.r. worden uitgevoerd. Daarbij wordt in meer detail onderzocht wat de effecten op bijvoorbeeld ecologie zijn en welke mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden. Denk hierbij ook aan technische beperkingen, zoals de stilstandvoorziening. Daarnaast kunnen eisen gesteld worden aan de opstelling van het windpark of aan de hoogte of het aantal windturbines passend bij dat specifieke gebied.

Het is inderdaad het meest efficÍent als de energie zoveel mogelijk wordt gebruikt in de buurt van waar de energie wordt opgewekt, en in de plannen is dit ook zoveel mogelijk het uitgangspunt.

Geluidgevoelige objecten (woongebouwen) zijn beschermd door de eisen vanuit het Activiteitenbesluit. De effectieve afstand tussen windturbines en woningen waarbij aan de geluidsnormen wordt voldaan is afhankelijk van het type windturbine, de meteo-omstandigheden en het terrein. Daarvoor wordt voor geluid een vuistregel gehanteerd van 400m tussen windturbines en geluidgevoelige objecten.

We zijn ook gevraagd om een doorkijk te maken naar andere bronnen. In het vervolg van deze RES gaan we zeker aan slag om ook naar andere alternatieven te kijken. Tot aan 2030 kijken we naar wind en zon om onze bijdrage te bepalen.

Dit onderwerp komt aan bod in het hoofdstuk Warmte.

We onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om zo veel mogelijk grootschalige daken op termijn vol te kunnen leggen met zonnepanelen. Ook de mogelijkheden om dergelijke voorwaarden aan de voorkant te verankeren worden hierbij meegenomen. We geven ook randvoorwaarden mee aan het Rijk.

We streven ook naar zo veel mogelijk zon op dak. Die opwek is niet voldoende. De landelijke opdracht voor opwek van 35 TWh houdt al rekening met veel zon op dak. De 35 TWh komt daar dus bovenop. 

Dat zijn gebieden/landschappen die met name geschikt zijn om energie op te wekken en waarbij energie-opwek de belangrijkste functie is. Op de kaart met no regret-maatregelen (figuur 4.8) zijn mogelijke energielandschappen aangegeven aan de oostzijde van Deurne en aan de zuidkant van de gemeente Cranendonck.

In het RES-proces en de contacten met de verschillende stakeholders is innovatie en opslag een belangrijk aandachtspunt. Samen met Brainport Development verkennen we bijvoorbeeld welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieve producten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

Tegelijkertijd hebben we voor de RES een opdracht gekregen van het Rijk om een onderbouwd bod te doen, waar we in onze regio inschatten dat we grootschalige zon en windinitiatieven kunnen realiseren, met draagvlak van de bevolking. Hiervoor doorlopen we het planMER-traject, zodat we onderbouwde keuzes kunnen maken voor zoekgebieden. Hier wordt ook gekeken naar kosten van aansluiting op het netwerk en of opslag van energie misschien een rol kan spelen. Daarnaast is de zonneladder een belangrijk uitgangspunt. Tot slot wordt volop ingezet op besparing onder andere door aanpakken uit te werken die gemeenten kunnen inzetten om hun inwoners en bedrijven te helpen/stimuleren om energie te besparen.

We zetten dus in op al deze sporen: enerzijds stimuleren van innovaties bijvoorbeeld door het koppelen van gemeenten aan initiatiefnemers en anderzijds het in beeld brengen van kansrijke locaties voor grootschalige opwek en het stimuleren van besparing.

In de concept RES 1.0 wordt een aantal voorbeelden benoemd van energieopslag, zoals opslag in een waterstof hub en de opslag in batterijen.

 

We kijken ook naar alternatieven, bijvoorbeeld tijdelijke opslag en terug leveren buiten piekmomenten, afkoppelen op piekmomenten, inzetten van noodvoorziening onder voorwaarde dat deze niet gebruikt mag worden bij storing en andere innovaties om het netwerk te ontlasten.

Naast de investeringsplannen die reeds lopen (termijn van 2 jaar) wordt op basis van input RES en netvisies nieuwe investeringsplannen gemaakt door zowel Enexis als TenneT.  Er zijn ook ontwikkelingen om meer capaciteit beschikbaar te krijgen op het HS-net door het toepassen van de "snelweg" door N-0 voor teruglevering mogelijk te maken. Curtailment bij zon op land, cable pooling (zon en wind combineren) en opslag. Daarnaast zullen in de toekomst mogelijkheden komen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, ook bekend als congestie management.

De realisatie van lokale oplossingen is afhankelijk van veel factoren; het is lastig om hier een algemeen antwoord op te geven.

We onderschrijven het belang van opslag van energie. In de concept RES 1.0 wordt op pagina 10-11 een doorkijk gegeven naar het toekomstige energiesysteem. Daarin is benoemd dat opslag en conversie cruciale puzzelstukken zijn van het uiteindelijke CO2 neutrale energiesysteem. Er moet echter nog veel technologische ontwikkeling op plaats vinden. In de concept RES 1.0 geven we daarom aan dat we inzetten op samenwerking met Brainport Development en kennisinstellingen om de innovatie kracht en technologische ontwikkelingen in de regio te benutten en te versterken (pagina 14-15). Ook geven we aan dat we daarvoor een actieprogramma willen gaan opstellen. In de fase van RES 1.0 naar RES 2.0 zal dat verder moeten worden uitgewerkt.

De transportschaarste levert zeker vertraging op omdat de netbeheerders niet alle initiatieven/aanvragen kunnen aansluiten. De uitbreidingen in het elektriciteitsnetwerk zullen veelal meerdere jaren in beslag nemen. TenneT en Enexis werken dus hard aan het oplossen van de knelpunten zodat de RES opgave 2030 gerealiseerd kan worden.

Extra informatie aangaande RES:
Nationaal Programma Regionale Energiestrategie - Regionale Energiestrategie (regionale-energiestrategie.nl)

Investeren heeft zeker zin omdat de totale opgave, dus klimaatneutraal een stuk hoger is dan de RES2030. Daarnaast zullen er innovaties gaan komen waardoor we mogelijk minder opgewerkt energie hoeven te transporten. Door bijvoorbeeld opslag en vraag en aanbod beter met elkaar te combineren.

Smart grids - Netbeheer Nederland

 

Het verzwaren van het elektriciteitsnetwerk zijn maatschappelijke kosten, die dus door de maatschappij en dus voor een deel door de burgers bekostigd worden.

Enexis heeft aandeelhouders, gemeenten provincies etc., daar zal financiering vandaan moeten komen. Uiteindelijk komt dat op een manier wel bij de burger terecht. Als je het zelf doet (als regio) helemaal. Dan is collectief, misschien via belastingen, een betere optie.

Er zijn geen doorrekeningen gemaakt wat de impact van de energietansitie is op de energierekening. Ook als de regio zelf opwekt zullen er kosten blijven omdat er vaak een aansluiting noodzakelijk is en dat elektriciteit getransporteerd moet worden.

PwC: verduurzaming energie-infrastructuur kost 102 miljard euro - NRC

De capaciteit van het elektriciteitsnetwerk wordt gaandeweg het proces uitgebreid om te zorgen dat alle energie die opgewekt wordt op een veilige en goede manier getransporteerd kan worden via het netwerk.

Lees meer over de huidige knelpunten in het netwerk.

Er wordt regionaal overleg gevoerd om te zorgen dat er een goed beeld is van de stand van zaken en ontwikkelingen in de ruimte op het netwerk, zodat er verantwoorde beslissingen genomen kunnen worden over de investeringen in het elektriciteitsnetwerk. Uitbreiding kost veel (maatschappelijk geld), vandaar dat zorgvuldige afweging noodzakelijk is. Tevens is het echter nodig om uit te breiden.

De energietransitie heeft grote impact op net net omdat er decentraal grote hoeveelheden energie opgewekt wordt. Het Nederlandse elektriciteitsnetwerk behoort tot het beste in de wereld. Dit zullen we blijven handhaven en we investeren om het net verder te automatiseren en te monitoren.

Betrouwbaarheid - Netbeheer Nederland
 

Dit verschilt per locatie. Naast de investeringsplannen die reeds lopen (termijn van 2 jaar) wordt op basis van input RES en netvisies nieuwe investeringsplannen voor de langere termijn gemaakt door zowel Enexis als TenneT.

Dit verschilt per locatie. Naast de investeringsplannen die reeds lopen (termijn van 2 jaar) wordt op basis van input RES en netvisies nieuwe investeringsplannen voor de langere termijn gemaakt door zowel Enexis als TenneT.

We kijken ook naar alternatieven, bijvoorbeeld tijdelijke opslag en terug leveren buiten piekmomenten, afkoppelen op piekmomenten, inzetten van noodvoorziening onder voorwaarde dat deze niet gebruikt mag worden bij storing en andere innovaties om het netwerk te ontlasten.

Er zijn ook ontwikkelingen om meer capaciteit beschikbaar te krijgen op het HS-net door het toepassen van de "snelweg" door N-0 voor teruglevering mogelijk te maken. Curtailment bij zon op land, cable pooling (zon en wind combineren) en opslag. Daarnaast zullen in de toekomst mogelijkheden komen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, ook bekend als congestie management.

Tot nu toe wordt rekening gehouden met twee extra hoogspanning stations en aanpassingen aan twee andere stations. We weten nog niet precies hoeveel hoogspanning stations er in 2030 nodig zijn, maar zeker is dat het netwerk verder uitgebreid moet worden.

We kijken ook naar alternatieven, bijvoorbeeld tijdelijke opslag en terug leveren buiten piekmomenten, afkoppelen op piekmomenten, inzetten van noodvoorziening onder voorwaarde dat deze niet gebruikt mag worden bij storing en andere innovaties om het netwerk te ontlasten.

Enexis en TenneT zijn zeker wel actief. Naast de investeringsplannen die reeds lopen (termijn van 2 jaar) wordt op basis van input RES en netvisies nieuwe investeringsplannen gemaakt door zowel Enexis als TenneT.  Er zijn ook ontwikkelingen om meer capaciteit beschikbaar te krijgen op het HS-net door het toepassen van de "snelweg" door N-0 voor teruglevering mogelijk te maken. Curtailment bij zon op land, cable pooling (zon en wind combineren) en opslag. Daarnaast zullen in de toekomst mogelijkheden komen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen, ook bekend als congestie management.

Beide. De verduurzaming van de energie-opwek vraagt ook om aanpassingen aan het elektriciteitsnet. In het kader van de concept-RES het RES-proces is onderzocht wat de impact is van de verschillende zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwek via zon en wind op het net met betrekking op tijd, geld en ruimtebeslag. Er is onderzocht wat de doorlooptijden zijn voor aanpassingen aan het netwerk (aanpassingen bestaande stations en realisatie nieuwe stations), wat het verwachte ruimtebeslag is van de uitbreidingen en wat de maatschappelijke kosten zijn om de aanpassingen te realiseren. Ook in de komende fase wordt verder onderzoek uitgevoerd.

Er vindt continu overleg plaats tussen bestuurders uit de regionale Stuurgroep RES en Enexis en TenneT (beheerder van het hoogspanningsnetwerk) op directieniveau . Ook landelijk staat dit vraagstuk hoog op de agenda en wordt onderzocht welke stappen we kunnen zetten (bv. aanpassing in wetgeving) om hierin versnelling te krijgen. Er vinden ook systeemstudies plaats op provinciaal niveau.

De opgave van het Rijk aan de 30 RES-regio’s is om, vóór 2030, in totaal 35 TWh aan grootschalige opwek met zon en wind te realiseren, omdat dit bewezen technieken zijn voor grootschalige opwek van duurzame energie. Andere technieken zijn nog niet voldoende doorontwikkeld en mogen dan ook niet worden meegeteld in het bod per RES-regio voor 2030. Nieuwe technieken zijn wel relevant voor de periode daarna. De RES wordt elke twee jaar herzien, waarbij bekeken wordt welke technologieën we dan kunnen meenemen. We werken nauw samen met Brainport Development hierin.

Dat klopt: in de RES MRE zoeken we de samenwerking met de partijen die sterk zijn in innovaties. De organisatie Brainport Development heeft hierbij het overzicht en het netwerk van innovatieve bedrijven. Zie ook de andere vragen onder het kopje Innovatie.

In o.a. hoofdstuk 3 van de concept RES 1.0 wordt ingegaan op het thema innovatie, met diverse voorbeelden. Samen met Brainport Development verkennen we welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Om daarmee de in de Brainport Actieagenda opgenomen innovaties te versnellen en het realiseren van de doelen van de RES dichterbij te brengen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieproducten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

In o.a. hoofdstuk 3 van de concept RES 1.0 wordt ingegaan op het thema innovatie, met diverse voorbeelden. Samen met Brainport Development verkennen we welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Om daarmee de in de Brainport Actieagenda opgenomen innovaties te versnellen en het realiseren van de doelen van de RES dichterbij te brengen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieproducten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

We gingen ervan uit dat dat lange termijn plaatje zou zijn, maar in deze regio blijkt dat er misschien wel mogelijkheden zijn om dat al op kortere termijn te doen. Om het net te ontlasten en energie op te slaan. Hier kijken we nu naar en voeren we gesprekken over.

Je moet waterstof gebruiken waar het kan, maar het is niet altijd eenvoudig. Waterstof is veel moeilijker in grote hoeveelheden op te slaan en er zijn ook veiligheidsrisico’s. Bijvoorbeeld in de stad wil men geen enorme waterstof tanks plaatsen (zie de pilot met Uniper/EON in Rotterdam), daar is ook veel minder ruimte om de brandstof op te slaan. Met metaal als energiedrager is de opslag compacter.

1 liter ijzerpoeder is even veel als ½ liter benzine.

Nee, alles wordt opgevangen na de verbranding.

In het RES-proces en de contacten met de verschillende stakeholders is innovatie en opslag een belangrijk aandachtspunt. Samen met Brainport Development verkennen we bijvoorbeeld welke trajecten we samen zouden kunnen oppakken. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld als launching customer optreden bij de uitrol van innovatieve producten, zoals lichtgewicht zonnepanelen of dakinstallaties, die zowel zonne- en windenergie opwekken. Ook zien we kansen als gemeenten samen optrekken in gezamenlijke aanbestedingen.

Tegelijkertijd hebben we voor de RES een opdracht gekregen van het Rijk om een onderbouwd bod te doen, waar we in onze regio inschatten dat we grootschalige zon en windinitiatieven kunnen realiseren, met draagvlak van de bevolking. Hiervoor doorlopen we het planMER-traject, zodat we onderbouwde keuzes kunnen maken voor zoekgebieden. Hier wordt ook gekeken naar kosten van aansluiting op het netwerk en of opslag van energie misschien een rol kan spelen. Daarnaast is de zonneladder een belangrijk uitgangspunt. Tot slot wordt volop ingezet op besparing onder andere door aanpakken uit te werken die gemeenten kunnen inzetten om hun inwoners en bedrijven te helpen/stimuleren om energie te besparen.

We zetten dus in op al deze sporen: enerzijds stimuleren van innovaties bijvoorbeeld door het koppelen van gemeenten aan initiatiefnemers en anderzijds het in beeld brengen van kansrijke locaties voor grootschalige opwek en het stimuleren van besparing.

Diverse gemeenten ondersteunen innovatieve ontwikkelingen, bijvoorbeeld in Brainport Smart District. Als burger kun je hier zelf ook in participeren.

Er zijn verschillende ontwikkelingen met betrekking tot energieopslag. We houden deze ontwikkelingen in de gaten. Hierbij werken we samen met Brainport Development.

Waterstof is een energiedrager. Er zijn mogelijkheden voor de productie van waterstof of voor de opslag van elektriciteit. Op een aantal plekken in de regio vinden kleinschalige pilots plaats. We houden de ontwikkelingen in de gaten en hebben hierin korte lijntjes met partijen als Brainport Development en de TU/e.

Voor de inzet van waterstof wordt de komende periode inderdaad eerst gekeken naar sectoren waar weinig alternatieven voor waterstof beschikbaar is, zoals in de industrie; niet voor woningbouw.

Dat ligt aan de toe te passen techniek. Typisch is dit 60-70% (vergelijkbaar met de vorming van waterstof).

Vanuit MRE ligt de focus op het verbinden van partijen. We werken samen met Brainport Development om gemeenten beter te informeren over innovatieve producten en technologielijnen. Doel is te komen tot versnelling van innovaties zoals opgenomen in de Brainport Actie Agenda en daarmee de doelen uit de RES dichterbij te brengen. Binnen de Brainport Actie Agenda wordt onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen rondom batterijen, metalfuels, besparing en het ondersteunen van de waterstoftransitie.

Uiteraard zijn nieuwe ontwikkelingen en inzicht belangrijk om in nieuw beleid mee te nemen.

Nieuw beleid zal altijd als doel hebben: betaalbaar, haalbaar en verantwoord.

Alle maatregelen in de RES MRE 1.0 zijn relevant. Besparing is  de eerste stap om en CO2-reductie in de gebouwde omgeving te realiseren om vervolgens de stap naar aardgasvrij te maken. In de Regionale Strategie Warmte leggen we afspraken vast op welke verdelingssystematiek we toepassen bij bovenlokale bronnen.

Het bod van 2,0 TWh aan grootschalige opwek met zon en wind is onderdeel van de landelijke opgave van het Rijk aan de 30 RES-regio’s om landelijk in 2030 minimaal 35 TWh duurzaam met expliciet deze twee technieken op te wekken. Afhankelijk van het aandeel elektrificatie van de warmtevraag en de vraag van de industrie, landbouw (in het bijzonder glastuinbouw) is de opgave voor duurzame opwek richting 2050 een factor 4 tot 8 groter dan hetgeen we in 2030 hebben gerealiseerd. 

Wij werken als overheden nu al goed samen met Brainport Smart District om die innovaties aan te slingeren en zo snel mogelijk in de regio in de praktijk in te zetten.

Hoeveel de energietransitie ons precies gaat kosten, weten we nog niet. Maar dat er flinke investeringen gedaan moeten worden, is duidelijk. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de organisatie die door het Rijk als onafhankelijke rekenmeester wordt ingeschakeld, heeft recent becijferd dat er in 2030 zo'n 2 tot 3 miljard euro per jaar extra nodig is om de klimaatdoelen uit het regeerakkoord te halen.

Voor de maatschappelijke acceptatie is het nodig om te sturen op kosten efficiëntie. Maar naast financiële aspecten zullen ook andere aspecten worden meegewogen zoals ruimtelijke, milieukundige, sociale, economische etc. Uiteindelijk gaat het erom dat de energietransitie voor iedereen, inwoners, ondernemers, overheden en maatschappelijke organisaties, haalbaar en betaalbaar wordt. En dat de lasten en lusten wel overwogen worden verdeeld. De uitgangspunten hierover in het Klimaatakkoord zijn hierbij richtinggevend. In het kader van de RES zullen we hier aandacht aan moeten besteden door zo goed mogelijk de effecten van oplossingen in beeld te brengen en af te wegen.

In de RES 1.0 worden geen afspraken gemaakt over de verdeling van de lusten en lasten. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de samenleving en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. Per gemeente zal verschillend worden aangekeken tegen de rol die de gemeente wil spelen. Voor ieder project en lokale situatie kan de afweging tussen rendement en risico voor de maatschappij een andere uitkomst hebben. We willen daarom komen tot basisinformatie en handvaten voor gemeenten om zelf die afweging te maken.

Het model dat in de RES is opgenomen leidt ertoe dat de lokale omgeving de mogelijkheid heeft een project mede te financieren (inleggen van minimaal 50% van het benodigde eigen vermogen). Dit kan in gezamenlijkheid met gemeente en een lokale energiecoöperatie. Het doel is minimaal 50% in lokaal eigendom en maximaal 50% eigendom voor ontwikkelaars.


In de praktijk zie je dat 70-90% van het bedrag gefinancierd wordt door een bank (het zogenaamde vreemd vermogen) en 10-30% uit eigen middelen (het zogenaamde eigen vermogen). Uitgaande van minimale lokale participatie van 50% wordt 5 tot 15% van de investering door de gemeente en of inwoners/bedrijven lokaal ingelegd.
 

Dit kan elke gemeente in haar lokaal beleid apart opnemen. Vanuit de RES worden hier geen verplichte kaders voor gegeven.
Gemeenten nemen het verplicht ontmantelen van de installaties van wind- en zonneparken op in de anterieure overeenkomst met de parkeigenaar. Die geeft óf een bankgarantie af, óf er wordt de bepaling in de anterieure overeenkomst opgenomen dat  een voorziening wordt opgebouwd om het zonne- op windpark te ontmantelen aan het einde  van de looptijd van de vergunning. Vanaf 10 jaar voorafgaande aan de einddatum van de looptijd van de vergunning moet de parkeigenaar elk twee jaar aan de gemeente moet aantonen dat de benodigde reservering wordt opgebouwd.

De verplichte aangroei van die reservering gaat dus in de laatste 10 jaar jaarlijks van het exploitatieresultaat af.

Dit kan inderdaad een prijzige zaak zijn. Bij de ontwikkeling van de gemeentelijke Transitievisie Warmte processen wordt gekeken naar de mogelijkheden, waarbij de eindgebruikerskosten belangrijke criteria zijn. Hierin worden ook de financiële gevolgen van de verkozen warmteconcepten meegenomen om te zien welke individuele kosten en maatschappelijke kosten/opbrengsten deze gaan opleveren.

Afkoppelen kan inderdaad een prijzige zaak zijn. Bij de ontwikkeling van de gemeentelijke Transitievisie Warmte processen wordt gekeken naar de mogelijkheden, waarbij de eindgebruikerskosten belangrijke criteria zijn. Hierin worden ook de financiële gevolgen van de verkozen warmteconcepten meegenomen om te zien welke individuele kosten en maatschappelijke kosten en opbrengsten deze gaan opleveren.

Dit is een hele lokale vraag, en beantwoord ik daarom vanuit de gemeente Laarbeek. Onze visie is geweest om ergens te beginnen (dus toepassing zonthermisch), stilstaan is namelijk geen optie. Als we niet doorgaan met proef-projecten te starten is doorontwikkeling niet mogelijk. Er ligt vaker de afweging of we voor bestaande technologieën gaan of kiezen voor innovatie. Wij hopen daarbij ook continu op innovatieve projecten en zoeken daarvoor aansluiting met de Brainport regio. In praktijk is het echt zo dat meer mensen en marktpartijen toch sneller kiezen voor bestaande technologieën, omdat dit veiliger is. Wel zijn we continu aan het inventariseren. Ook voor de Transitievisie Warmte in de wijkaanpak gaan wij graag in gesprek met inwoners om input op te halen. Wij nodigen u graag uit om hierbij aan te sluiten.

In de RES worden globale plannen uitgewerkt op globale schaal. De daadwerkelijke uitwerking lokaal gebeurt door de gemeenten zelf, in hun eigen beleid. In de plannen in het kader van de RE zijn nog geen doorrekeningen gemaakt. Als eerste is bekeken wat er kan plaatsvinden aan duurzame opwek aan elektriciteit en wat de mogelijkheden zijn voor duurzame warmtebronnen.

In het Klimaatakkoord wordt de ambitie voorgelegd om te streven naar 50% lokaal eigendom. Lokaal eigenaarschap levert geld op voor de samenleving en kan ook leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Lokaal eigendom en financiële participatie bij duurzame opwek zien wij dan ook als een voorwaarde ten dienste voor onze inwoners. Per gemeente zal verschillend worden aangekeken tegen de rol die de gemeente wil spelen. Voor ieder project en lokale situatie kan de afweging tussen rendement en risico voor de maatschappij een andere uitkomst hebben. In het kader van de RES worden gemeenten handvaten aangereikt om zelf een afweging te maken voor beleid op het gebied van financiële participatie.
We moeten realistisch omgaan met het ambiëren van lokaal eigenaarschap. Garantstellingen en leningen kunnen onze inwoners hierbij helpen.

Zie hierboven: deze keuzes liggen bij de gemeenten zelf. Wel zorgen we voor basisinformatie en tools om de gemeenten te helpen in om zelf een goed proces te kunnen doorlopen om te komen tot beleidskeuzes.

Dat komt te staan in de RES 1.0. Wilt u op de hoogte blijven? Meld u dan aan voor de nieuwsbrief (zie link boven aan deze pagina). Kijk ook op Energie Samen (overkoepelende organisatie energiecoöperaties) voor meer informatie.

 

 

 

 

 

Bedrijven worden net als inwoners meegenomen. Ze krijgen gelegenheid om bij sessies aan te sluiten via de MRE en via gemeentelijnen. We zijn nog niet zover dat er concrete locaties zijn aangewezen. Dit is een fase waarin er gelijke behandeling is voor iedereen. We doen communicatie op regionale schaal en via gemeentelijke kanalen; inwoners en bedrijven. We kunnen hiermee niet voorkomen dat we niet iedereen bereiken.

Het verschilt per gemeente. Zijn er bovengemeentelijke loketten waar je terecht kan? Nu is er het energieloket Brabant maar dit wordt vervangen.

Klopt, nu eerst de concept RES. Om iedereen gelegenheid te geven om daarop te reageren. Later dit jaar komt de definitieve versie. Wij willen een zorgvuldig proces. Daarom zijn deze avonden nuttig. Goede feedback en kijken wat we moeten doen om meer mensen te bereiken.

We hebben als principe in RES opgenomen dat we streven naar maximale lokaal eigendom. Vanuit Rijk is dit streven 50%. Die opbrengsten kunnen we dan investeren in energietransitie.

Communicatie naar inwoners gaat via gemeenten. Het is niet wenselijk dat wij dit doen; gemeenten willen dit zelf doen, met eigen inwoners. Wij hebben wel een communicatie en participatie werkgroep die artikelen, presentaties e.d. maakt om te delen richting gemeenten. We ondersteunen zo met inhoud.

Dit is belangrijk om te borgen in het gemeentelijk beleid. Het is noodzakelijk om regels op te stellen zodat je principeverzoeken kunt toetsen.

Het is aan de bestuurders van gemeenten en Provincie om de belangen af te wegen en uiteindelijk knopen door te hakken. Het is niet realistisch dat er een scenario wordt gekozen waar iedere individuele inwoner blij mee is, maar wel waarbij het algemene draagvlak groot is. Dat draagvlak wordt gecreëerd door duidelijk te zijn over de voordelen van duurzame energieopwekking, zowel op individueel als maatschappelijk niveau via communicatie en participatie.

We hanteren minimaal 50% lokaal eigenaarschap in ons beleid. Er zijn momenteel al windparken die 100% coöperatief zijn, omdat ontwikkelfondsen de risico’s kunnen wegnemen voor inwoners. Dus dat inwoners bijvoorbeeld vanaf 100 euro per persoon kunnen deelnemen en pas instappen wanneer zo’n park daadwerkelijk af is. Die minimaal 50% betekent coöperatief eigendom en dan heb je ongeacht de grootte van het aandeel evenveel te zeggen. 

De eerste stap voor draagvlak is bewustwording en communicatie, maar als gemeente willen wij ook zoveel mogelijk faciliteren en stimuleren. Door bijvoorbeeld een goede landschappelijke inpassing neer te leggen, is het gemakkelijker om input te vragen bij inwoners.

Bij elk succesvol project is het mogelijk om achteraf het draagvlak te meten. Het is echter nooit mogelijk om 100% draagvlak voor een project te verwezenlijken. Het NIMBY-effect komt vaak voor wanneer een project concreet wordt. Dan krijg je dus ook pas meer inzicht in draagvlak en weerstand. We proberen vanuit de MRE zoveel mogelijk draagvlak te creëren vooraf door verschillende vormen van participatie (proces, financieel of sociaal).

Binnen de regio zijn we bezig met een energiecoöperatie om een model op te zetten voor participatie. Dit, zodat de revenuen maximaal kunnen terugvloeien in eigen regio. Om het risico voor financiële participatie voor inwoners te minimaliseren, kunnen we kijken naar ontwikkelfondsen die helpen financieren. We streven ernaar minimaal 50% van het eigenaarschap in lokale handen is. Zowel met zeggenschap en eigendom. Zo kunnen we ook voorkomen waar de kranten vol mee staan, dus dat je inkomsten naar buitenlandse ontwikkelaars gaan.

Dit is een lastige vraag om momenteel te beantwoorden. Dit model komt namelijk echt pas in gang zodra er een project in beeld is. Momenteel zitten we nog vooral in de onderzoekende fase, met de zoekgebieden en planMER. Daarbij zal de invulling van participatie ook per gemeente verschillend zijn. Elk project is maatwerk en daarbij moet je dus goed kijken naar de omgeving en wat past bij het project. Er worden tevens wel kaders gegeven vanuit de RES.

Dit is afhankelijk van de gemeente waar je in woont. Dit wordt bepaald door de gemeente. De regio verbindt waar nodig, maar het ligt dus bij de gemeente. Buurtsgewijs/wijksgewijs gaat dit plaatsvinden en wordt het proces in gang gezet. Mensen merken nu al iets of gaan dit binnenkort merken (b.v. door informatieavonden).

Warmtetransitie komt achter de voordeur en is daardoor heel ingrijpend. Het is dus heel belangrijk om proces op tijd in gang te zetten.

We kennen drie vormen van participatie, die licht ik graag verder toe:

Procesparticipatie: bij procesparticipatie leveren inwoners input aan bij een project, dus bijvoorbeeld in de vorm van een klankbordgroep. Het gaat dan bijvoorbeeld om gesprekken waar een windmolen komt te staan. Procesparticipatie is een manier om meer draagvlak te verwezenlijken voor een project. Inwoners denken dus mee, maar zijn geen eigenaar.

Financiële participatie: financiële participatie gaat wel over eigenaarschap, maar ook dit kan in allerlei vormen. Zo kun je aan de voorkant aandelen of obligaties afnemen en eigenaar worden. Eveneens kan dit ook later in het proces, zodat je minder risico hebt. Als je later investeert ben je wel maar deels eigenaar en heb je ook minder inkomststromen dan wanneer je vanaf het begin investeert. Met financiële participatie kun je draagvlak verwezenlijken als gemeente of ontwikkelaar.

Sociale participatie: sociale participatie kan bijvoorbeeld via fondswerking. Zo’n fonds kan indirecte winsten van het project terugbrengen in lokaal maatschappelijke projecten.

Gemeenten en ontwikkelaars hebben zelf in de hand welke vorm van participatie ze meenemen in een project. Het belangrijkst is dat we een gesprek met elkaar blijven aangaan en naar ieders mening kunnen luisteren. We moeten het samen doen. En bewustwording is de eerste stap richting draagvlak.

Zoals in de RES 1.0 is te lezen wordt volop ingezet op besparing. We werken aan verschillende aanpakken die gemeenten kunnen gebruiken, om zo tot een passende oplossing te komen per situatie. Die is tenslotte afhankelijk van de situatie per betreffende persoon of organisatie en de staat van het gebouw. Met innovaties in techniek, werkprocessen en aanpakken komen er in de toekomst meer mogelijkheden. Door goed samen te werken versnellen we de verduurzaming binnen de doelgroepen Wonen, Bedrijven en Maatschappelijk Vastgoed.

De decentrale overheden in de regio (gemeenten, waterschappen en provincie) maken samen een RES in hun RES-regio. De gemeenten en provincies besluiten zelf over de doorwerking van de RES in hun beleid en de verankering van de RES in hun Omgevingsbeleid (Omgevingsvisie, Omgevingsplan/Omgevingsverordening).

Er zijn diverse enquêtes gehouden, op regionale en Brabantse schaal. Onderzoek laat zien dat het draagvlak voor verduurzaming van de energievoorziening in Brabant over het algemeen hoog is. Echter is algemeen draagvlak niet hetzelfde als acceptatie van (lokale) effecten. Bij het creëren van draagvlak is inzicht in wat leeft bij bewoners van groot belang. Het is belangrijk dat we bij de verschillende fasen van beleidsvorming tot projectimplementatie, inclusief keuzes van locaties, inwoners goed meenemen.

In de Adviesgroep RES MRE nemen ook twee vertegenwoordigers van woningcorporaties deel. Zij hebben ook regelmatig afstemming met de andere woningcorporaties in de regio over het thema verduurzaming. Vanuit de werkgroep Besparing wordt in afstemming met de woningcorporaties verschillende besparingsroutes uitgewerkt, als handvat voor gemeenten.

Wat betreft verduurzaming (wat kun je zelf doen?) staat veel informatie op www.milieucentraal.nl

In de Adviesgroep RES MRE neemt ook een vertegenwoordiger van JongRES deel, een beweging om de stem van de toekomst mee te laten klinken in de RES’en. Ook ondersteunen we JongRES om bijeenkomsten en peilingen onder jongeren te organiseren.

In de Adviesgroep RES MRE neemt ook een ontwikkelaar deel, die regelmatig afstemming heeft met de Nationale Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE), een koepelorganisatie van ondernemers in duurzame energie.

Verschillende stakeholders, zoals de BMF, ZLTO, de energiecoöperaties en JongRES leveren input gedurende het proces. Wij hebben regelmatig afstemming met deze stakeholders in de Adviesgroep RES MRE. Ook in het kader van het planMER-traject is er volop gelegenheid om input te leveren. Uiteindelijk zullen de volksvertegenwoordigers moeten komen tot een afweging van de verschillende belangen.

De RES’en moeten samen gaan zorgen voor 35 TWh hernieuwbare energieopwekking op land in 2030. De regio’s werken hieraan in het vertrouwen dat we de doelstellingen in goede samenwerking op tijd zullen halen. Toch zijn er situaties denkbaar waarin samenwerking niet of onvoldoende werkt. Het Nationaal Programma RES heeft een document opgesteld met informatie over de bestuurlijke en juridische instrumenten ons dan ter beschikking staan. Dit document is opgesteld door Rijk en koepels samen. Het is terug te vinden via deze link.

De RES is voor veel bewoners nog erg abstract. Toch willen wij proberen om zoveel mogelijk inwoners bij het RES-proces te betrekken. De communicatielijnen naar bewoners lopen vooral via de gemeenten zelf, omdat die veel meer directe contacten hebben met bewoners. Op regionale schaal zorgen we voor informatievoorziening, door middel van webinars, internetconsultaties en kennissessies. Daarnaast werken we samen met een groep stakeholders, zoals milieuorganisaties, agrarische organisaties, woningcorporaties, energiecoöperaties, ondernemersorganisaties en universiteiten. We overleggen ook met Jong RES, een organisatie die jongeren vertegenwoordigt.
In de planMER-procedure (milieueffectrapportage) die we doorlopen is er ook een formele deelname: burgers hebben de mogelijkheid om in te spreken op de documenten. 
Volksvertegenwoordigers kunnen tussentijds input geven via hun bestuurders en stellen uiteindelijk de RES vast.

Op www.energieregiomre.nl kunt u de actuele agenda met informatie-bijeenkomsten raadplegen, waarin u kunt vragen om extra toelichting, mochten voor u nog zaken onduidelijk zijn. Ook kunt u bij uw gemeente vragen om een toelichting over de lokale situatie.           

 

Met de betrokken stakeholders, zoals de energiecoöperaties, woningcorporaties, BMF, ZLTO, TU/e, Fontys, VNO/NCW en de BOM, zijn we in gesprek om samen te verkennen hoe we (als geheel) kunnen en willen samenwerken om te komen tot een versnelling in de energietransitie. Deze groep zien we als adviesgroep. Tussentijds vinden themagewijs voor specifieke groepen stakeholders inhoudelijke werkateliers plaats die vanuit de werkgroepen worden georganiseerd.

In het Factsheet Electriciteit vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Er wordt ingegaan op windenergie, zonne-energie, biomassa, kernenergie, waterkracht en waterstof. Voor de RES doelstelling van landelijk 35 TWh ligt de focus op zon- en windenergie, omdat dit bewezen technieken zijn en vóór 2030 voldoende resultaat opleveren.

In het Factsheet Warmte vindt u beknopte objectieve informatie over de eigenschappen van de energiebronnen en aandachtspunten. Er wordt ingegaan op restwarmte, geothermie, aquathermie, biomassa, groengas en waterstof.

Cookie-instellingen
Cookie-instellingen sluiten

Cookie-instellingen wijzigen

Deze website maakt gebruik van cookies. Cookies worden onder andere gebruikt voor het bijhouden van statistieken, het opslaan van voorkeuren, het optimaliseren van deze website, de integratie van social media en marketingdoeleinden. Lees meer over cookies en jouw privacy in ons cookieverklaring. Wij gebruiken de hieronder genoemde soorten cookies.


Deze cookies gebruiken we om de basisfuncties van deze website te kunnen laten draaien en om inzicht te krijgen in het gebruik. Deze cookies verzamelen nooit persoonsgegevens. Deze cookies zijn noodzakelijk voor het functioneren van de website en worden daarom altijd geplaatst.

Deze cookies verzamelen gegevens zodat we inzicht krijgen in het gebruik en deze website verder kunnen verbeteren.

Indien u deze toestaat, worden deze cookies gebruikt door aanbieders van externe content die op deze website kan worden getoond. In sommige gevallen gaat het daarbij om marketing- en/of tracking cookies, die het gedrag van bezoekers vastleggen en op basis daarvan gepersonaliseerde advertenties tonen op andere websites.